Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/335

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 311 —

in het zuidelijk gedeelte van het rijk van Tunis, en wel in 't bijzonder in den omtrek van de kleine Syrtis. Plinius verhaalt er van: "dat die plant de Romeinsche legers, bij hunne invallen in Afrika, tot voedsel verstrekte." Zou het wel mogelijk zijn te achten, dat een gewas, 't welk eertijds zoo overvloedig voorkwam, dat het een voornaam voedsel was van de bewoners, daar niet zou zijn bewaard gebleven? Van eene plant althans, die daar natuurlijk voorkwam, is zoo iets wel niet aan te nemen. Met gekweekte gewassen is dikwijls het tegendeel opgemerkt; onttrekt zich de menschelijke hand aan hare kultuur en instandhouding, dan ziet men ze vaak allengs verdwijnen. De geschiedenis van den Papyrus levert er een voorbeeld van.

Toen de vermaarde Fransche kruidkundige desfontaines in de vorige eeuw de kusten van Barbarije bezocht, en zich op de plaatsen zelve bevond, waar oudtijds de Lotus groeide, heeft hij zich alle mogelijke moeite gegeven, om dit belangrijk gewas te ontdekken. Zijne onderzoekingen hebben hem tot de uitkomst geleid, dat de oude Libysche Lotus eene eigene soort van wilden Wegedoorn (Rhamnus) is geweest, die nog heden vrij algemeen in het geheele zuidelijk gegedeelte van het rijk van Tunis aan de grenzen van de woestijn, en den omtrek, van de kleine Syrtis, verbreid is. Het is hoogst waarschijnlijk dezelfde soort van plant, die linnaeus, de grondlegger der kruidkundige wetenschap in de XVIII eeuw, reeds heeft beschreven en Lotus-Wegedoorn, Rhamnus Lotus, genoemd heeft.

De Rhamnus Lotus L. (Jujubier Lotus, Borstbezië-wegedoorn in onze taal te noemen), vormt struikjes van eene hoogte van 4 tot 5 voeten, met vele naar den grond gebogen takken, die met dorens zijn voorzien. De vrucht van dezen struik is van buiten saprijk en vleeschrijk, rond, bijna zoo groot als eene kleine pruim, met eene harde kern. Wordt zij rijp, dan neemt zij, even als de jujube, eene roodachtige kleur aan. Herodotus, van de Lotophagen sprekende, vermeldt, dat zij van de vrucht, die een aangenamen smaak heeft als die der dadels, ook eene soort van wijn maken. Hij vergelijkt de vrucht met het zaad van den Pistache-boom, en te regt. De berigten van vele andere schrijvers der Oudheid omtrent