Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/430

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 14 —

naaste verwantschap met de struisachtige vogels hebben. Het eigenlijk dusgenoemde geslacht Dinornis zou, volgens de meening van owen, meer tot de trapganzen naderen. Het gemis van vleugels maakt op zich zelve nog geen gemeenschappelijk kenmerk van nadere verwantschap of van eene natuurlijke familie uit. Niet vliegende vogels, (oiseaux sans aîles, zooals buffon zegt, les moins oiseaux qu'il soit possible) vindt men onder verschillende orden. De pinguins behooren tot de zwemvogels, de struisvogels en kasuwarissen tot de steltloopers, en de dodo van het eiland Mauritius moet, zooals reinhardt, strickland en melville hebben aangetoond, onder de hoenderachtige vogels, onder de familie der duiven geplaatst worden. Dit laatste voorbeeld is wel het vreemdst van allen. De snelle vlugt der duiven is bekend, en vóór de schitterende ontdekking der electro-magnetische telegraphen wist men geen sneller middel om van de eene plaats tot de andere berigten te doen overbrengen, dan de duivenpost.

Maar wij keeren van den Dinornis tot den vroeger vermelde vogel van Nieuw-Zeeland, den Apteryx, terug. Wij hebben dien vogel vleugelloos genoemd, en de geslachtnaam zelve drukt die eigenschap uit. In den strengen zin van het woord zijn er echter geene vleugellooze vogels. De vleugels der vogels zijn hunne voorste ledematen; bij eene vergelijkend ontleedkundige beschouwing ontbreken deze voorste ledematen in de klasse der vogels nooit.

De Apteryx heeft wel tot vliegen ongeschikte en onder de haarachtige vederen van de zijden van het ligchaam verborgen vleugels, maar er is nogtans een schouderblad, een kort en dun opperarmbeen, er zijn twee voorarmbeenderen en handbeentjes aanwezig. Zoo was het ook met den Dinornis. Een brokstuk van een opperarmbeen werd onder de laatste bezending van beenderen, die owen onderzocht, aangetroffen.[1] Maar, wanneer de Dinornis goed ontwikkelde vleugels had gehad, dan zou men onder de menigte beenderen, die van dit vogelgeslacht gevonden zijn, meer dan zulk één enkel fragment van het armbeen hebben aangetroffen. Bij de meeste, bij-

  1. Transact. of Ihe zool. Soc. IV, Part, 2. 1852. p. 66.