Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/437

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 21 —

einde van welken rug, op den Hondsrug, de stad Groningen gelegen is. Men berekent, dat, wanneer Drenthe door kanalen is doorsneden, met welken arbeid men werkelijk aangevangen is, dit gewest vele honderdduizenden lasten steen zoude kunnen opleveren: terwijl hierdoor tevens de toegang zoude geopend worden tot ongeveer 40,000 bunders hoog veen, welke nog vooral in het Zuid-Oosten van dit gewest gevonden worden, en waaruit reeds, meer in het Noorden en midden dezer landstreek, aanzienlijke dorpen, als de Smilde, Zuidlaarderveen, Annerveen, Gieterveen, Gasselternieuwveen, Nieuw-Buinen en vooral Hoogeveen, het laatste met 7,000 inwoners, ontstaan zijn. [1]

Te Sleen, Drouwen en op meer andere plaatsen, ziet men de wallen der akkers van zoodanige steenstukken van 3 tot 6 voeten breedte en hoogte opgezet, even als men b.v. te Bentheim de afscheidingen der velden meest geheel van gehouwen steen gemaakt ziet.

Tusschen die gerolde steenen, hier keijen of flinten geheeten, vindt men zand, veen en leem; het eerste en laatste waarschijnlijk uit de overblijfselen van die en andere steenen gevormd. Niet zelden toch vindt men, zelfs op de oppervlakte van den bodem, steenen, waarvan een gedeelte, dat het overige zamenhield, opgelost en dus de steen geheel en al los en brokkelig geworden is.—Bij het graven van een vijver, voor eenige jaren, in den landhuishoudelijken tuin te Groningen, op de noordelijke afhelling dierzelfde grondvorming gelegen, vond ik eenige gerolde steenen, volkomen hard en in hunnen natuurlijken toestand; andere daarentegen geheel en al als vermolmd, zoodat men ze met de hand fijn konde wrijven en zoo den oorsprong van de aarde uit zoodanige steensoorten aanschouwelijk aanwijzen. De arbeiders, die bij dat werk tegenwoordig waren, verklaarden die zaak op hunne wijze, zeggende, dat dit zeer natuurlijk was: "de eerste toch waren nog levende; de laatste reeds gestorven!"

Bij Frederiksoord en op meer andere plaatsen in Drenthe houdt men het voorkomen van gerolde steenen als een vrij stellig teeken,


  1. De geheele uitgebreidheid der veenen werd voor eenige jaren in Drenthe berekend op 58,000 bunders, op sommige plaatsen 20 voeten diep; de uitgebreidheid der heidevelden op 118,000 bunders.—Dit laatste cijfer zal thans vrij wat verminderd zijn.