Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/443

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 27 —

die door geheel Drenthe, maar meest bij de dorpen, met den sleedoorn enz. in de omheiningen der landerijen, b.v. bij Eelderwolde, Vries, Gieten, Odoorn, Dalen enz., gevonden wordt.

Het kleine Warkruid wast van Harendermolen in de prov. Groningen af door geheel Drenthe. Dit jaar althans zag ik het in menigte bij Gieten, Borger, Odoorn, Noord- en Zuidsleen, Dalen enz. Het vertoont zich als fijne, fraai rozenrood gekleurde draden, welke, als woekerplanten, de heidestruiken omslingeren en daaruit haar voedsel trekken, even als andere soorten van Warkruid (Cuscuta), die daarom ook wel eens duivelsch naaigaren genoemd worden. Ik zag uitgebreide plekken, vele voeten in het vierkant, door deze draden, als met een roodachtig, eenigzins glinsterend spinneweb, overtogen. Het heeft geene bladen, maar fraaije witte, vijfdeelige bloempjes, terwijl het, even als andere soorten van dit geslacht (de bekende Seide b.v. op het vlas), zich uit zaad in de aarde ontwikkelt, maar later alleen zijn voedsel trekt uit de gewassen, aan welke het zich vastgezogen heeft. Ik zag het alleen inwoekeren op de gewone of riegheide (Erica vulgaris) en op de kleine behaarde brem (Genista pilosa), zoodat hare soort-naam in het Latijn (Epithymum) minder gepast is, omdat zij niet voorkomt op de, hier anders mede niet zeldzame thijm. De rolklaver (Lotus corniculatus), alzoo genoemd naar de rolronde gedaante harer peulen, en de witte klaver kunnen, wel is waar, geene eigenlijke heideplanten, dat is voor de heidevelden bijzonder kenmerkende gewassen, genoemd worden; maar het verdient toch opmerking, dat deze beide uitmuntende voederplanten voor het vee zoo algemeen door ons Vaderland verspreid zijn. De eerste toch vindt men op de hoogste heiden, zoo hier als in het Gooiland, bij Zeist en Driebergen enz. maar ook in de lagere, vochtige, ja zelfs moerassige streken, waar zij veel grooter wordt en een geheel ander aanzien verkrijgt, zoodat men haar daar wel eens als eene afzonderlijke soort (Lotus uliginosus) beschreven heeft; terwijl zij een zeer gewoon zamenstellend deel van onze weilanden uitmaakt en aan al de wegen veelvuldig voorkomt. De laatste, de witte klaver, groeit op de heidevelden zoowel als op alle goede graslanden en langs de wegen; maar ook op de buitendijks aan zee