Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/444

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 28 —

gelegene en van tijd tot tijd door den vloed bedekte weiden, waarvan zij een voortreffelijk zamenstellend deel uitmaakt.

De adelaars-varen (Pteris aquilina) heet alzoo, omdat het onderste bruinachtig deel der steng, daar waar het nog in den grond zit, op de dwarsche doorsnede eenigzins de gedaante van eenen dubbelen adelaar vertoont, gevormd uit de bruinachtig-zwarte vaatbundels die aldaar gevonden worden. Deze varensoort is slechts in enkele streken zeer algemeen. Bij Valte en Weerdinge zag ik haar voor eenige jaren zoo overvloedig en groot, dat het in de verte eiken hakhout geleek. Het werd daar afgesneden en, droog, in groote hoopen bij huis bewaard, om tot onderstrooijing van het vee en alzoo tot mestvermeerdering te dienen. In Gelderland, bij Putten, Ermello en elders, waar het zeer menigvuldig voorkomt, worden de zijblaadjes der bladsteelen afgestroopt, gedroogd en in balen ingepakt verzonden, om tot varen-bedden en kussens te dienen, waarvoor deze soort, wegens het eigenaardig veerkrachtige van haar zamenstel en eenigzins aromatischen geur, beter dan onze andere varensoorten geschikt is.

De veenen zijn in Drenthe of hooge veenen, zoo straks reeds vermeld, of het zijn lagere veenachtige of uit zand en veen vermengde gronden, zooals in den omtrek van Meppel en Koevorden. De eerste worden afgegraven en de daaronder overblijvende gronden zijn de zoogenaamde dallen of veenondergronden, meest bestaande uit zand en veen en soms ook opzettelijk met leem vermengd, waardoor een zeer geschikte grond voor de beteeling ontstaat. Voor dat zij echter afgegraven zijn, wordt de oppervlakte dikwijls, na voorafgaande branding (waardoor, vooral in Mei, de veendamp of heirook ontstaat), met boekweit bezaaid. Zulke boekweit is echter altoos veel minder dan zandboekweit, ja levert soms een armzalig gewas op, wanneer de grond door deze teelt reeds eenigermate uitgeput raakt. Immers de ondervinding heeft geleerd, dat het hooge veen, als het nog nooit met boekweit is beteeld, tien jaren achtereen kan beboekweit worden, dat het dan echter hiervoor uitgeput raakt, en weder 10—15 jaren rust behoeft, om dan nog weder eenige jaren, steeds alleen met boekweit, bezaaid te kunnen worden; terwijl de