Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/493

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 75 —

digheden. Bevindt zich de laatstgenoemde, na haar afsterven, in eene drooge lucht, dan ondergaat zij in een geruimen tijd geene verandering. Hout, wat tot timmerhout wordt aangewend, onze meubels, enz., geven er de bewijzen van. Worden plantenstoffen steeds met water bedekt gehouden, zonder toetreding van den dampkring, dan heeft hetzelfde plaats. Hierbij worden, wel is waar, onderscheidene stoffen, die uit haren aard oplosbaar zijn in water, aan het hout onttrokken, maar wat in water niet oplosbaar is, b.v. de houtvezel zelve, blijft geheel onveranderd. Het hout van palen bij waterwerken is, na eeuwen, nog even vast als te voren. Amsterdam en Venetië zouden reeds lang in de diepte zijn verzonken, indien het hout der palen, waarop die steden zijn gebouwd, niet nog heden even deugdzaam ware, als bij het eerste inheijen in den slappen bodem. Maar, het is hiermede geheel anders gesteld, wanneer water en lucht tegelijk haren invloed kunnen uitoefenen. Naar gelang van den meer of min vrijen toegang van beide is de verandering, welke de plantendeelen ondergaan, eenigzins anders, en brengt zij nu eens te weeg wat wij gewoon zijn verweêren, dan weder wat wij verrotten of vergaan plegen te noemen. In beide gevallen is het de zuurstof van de lucht, door welke de scheikundige verandering wordt te weeg gebragt, die gewoonlijk eindigt met de algeheele vertering van de in het hout aanwezige stoffen of bestanddeelen, welke zich, bij den gewonen warmtegraad van de lucht, verbinden met de zuurstof (zich oxyderen). In beide, zoowel bij de verweêring als bij de verrotting, kunnen wij aannemen dat eene soort van verbranding plaats heeft, maar zonder lichtontwikkeling en bij eene lage temperatuur. Wij moeten ons te dezer plaatse, van de wetenschappelijke uiteenzetting der gronden die dit kunnen toelichten, onthouden.

Een gelijksoortige maar voortdurende gang van verweêring heeft plaats gehad bij de wording der steenkolen, gelijk uit het scheikundig onderzoek van dezulke, die duidelijk uit hout zijn ontstaan, is op te maken.

Van waar komen die ophoopingen van plantaardige stoffen, die tot het ontstaan van steenkolen aanleiding gaven? Het is toch bekend dat de lagen van steenkolen, zoowel als van bruinkolen, niet