Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/618

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 198 —

omdat zij eenen magtigen bondgenoot vond in den tijd. Ik bedoel het organische leven zelve. De overblijfselen van tallooze eenmaal geleefd hebbende wezens werden in den schoot der aarde bedolven, en worden daarin thans nog terug gevonden in zoo aanzienlijke hoeveelheid, dat zij gezegd kunnen worden een niet onbelangrijk deel der aardkorst uit te maken. Eindelijk is er nog eene vierde oorzaak, die hier niet geheel onvermeld mag worden gelaten, namelijk de werking der scheikundige krachten, waardoor de reeds eenmaal gevormde stoffen wederom worden in beweging gebragt, en waarvan eene reeks van omzettingen en veranderingen het gevolg is.

Wij zouden echter in te vele bijzonderheden moeten treden, indien wij ook deze laatste oorzaak in den kring onzer beschouwingen opnamen, en willen derhalve ons alleen bepalen bij de werking der drie eerste.

Het is genoeg bekend, dat, indien men diep in den bodem dringt, men altijd bevindt dat zij uit verschillende op elkander rustende lagen bestaat. Het is duidelijk, dat men in het algemeen mag stellen, dat de bovenste lagen de jongst gevormde zijn, en dat de daaronder liggende van des te oudere dagteekening zijn, hoe dieper de laag zich bevindt. Deze regel is, wel is waar, niet zonder uitzonderingen, doch deze zijn voor ons doel voor het oogenblik van minder gewigt. Nu heeft de ervaring geleerd, dat overal, waar men diep genoeg heeft kunnen boren of graven, men eindelijk stuit op hetzelfde rotsgesteente, namelijk de graniet, waarvan, wel is waar, verschillende wijzigingen voorkomen, die ten deele ook door bijzondere benamingen onderscheiden worden, doch evenwel in zekere hoofdeigenschappen en bestanddeelen telkens overeenstemmen. Met alle regt beschouwt men derhalve dien graniet als het oudste, dat is, het eerst gevormde rotsgesteente, terwijl alle de overige van betrekkelijk lateren oorsprong zijn.

Men zoude den graniet als het ware het moedergesteente kunnen heeten, waaraan later de stof voor het meerendeel der nieuwere lagen ontleend is, en wel hoofdzakelijk ten gevolge eener min of meer volledige scheiding der bestanddeelen, waaruit de graniet bestaat. Elk toch weet, dat b.v. in een land als het onze, welks