Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/619

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 199 —

vorming van betrekkelijk zeer jeugdige dagteekening is, het grootste gedeelte des bodems is zamengesteld uit zand en kleilagen. Het zand nu bestaat bijna uitsluitend uit kiezelzuur, dat men onder den vorm van kwarts in den graniet aantreft, terwijl in de klei kiezelzure klei- of aluinaarde het overwegend bestanddeel uitmaakt, welke in den graniet als veldspaath en glimmer wordt teruggevonden. Denken wij ons den graniet tot een fijn poeder gebragt, dan zullen daarin de deeltjes, van den veldspaath en den glimmer afkomstig, het fijnst zijn, uithoofde der meerdere broosheid dezer stoffen, terwijl de hardere kwartskorrels altijd merkelijk grooter zullen blijven. Werpt men dan dat poeder in een vat met water, dan zullen de zwaardere kwartskorreltjes het eerst bezinken en eene afzonderlijke laag vormen, waarop zich eerst later de fijnere veldspaath- en glimmer deeltjes afzetten, en de bovenste laag innemen.

Iets dergelijks nu, ofschoon op eenigzins andere wijze, geschiedt werkelijk in de natuur. Op vele plaatsen neemt de graniet de hooger gelegen gedeelten van bergen in, onbedekt door andere lagen. Waar de graniet zoo open en bloot ligt, ontstaat daarin, ten gevolge der gezamelijke inwerking van lucht en water, allengs eene verandering die men verweêring heeft genoemd. De deeltjes verliezen daarbij hunnen onderlingen zamenhang, vallen uiteen en worden nu door het water, dat als regen of sneeuw uit de wolken valt, naar elders weggevoerd, om te bezinken ter plaatse waar de snelheid van den stroom genoeg verminderd is. Zoo ontstaan zandbanken en lagen slib of klei, de eerste, als uit de zwaarste deeltjes bestaande, het digtste bij, de laatste op eenen verderen afstand van hunnen oorsprong.

In andere landen treft men echter, behalve deze zand- en kleilagen ook nog veel oudere rotsgesteenten aan, die, hoewel veel harder en vaster, toch werkelijk op dezelfde wijze ontstaan zijn, en als verharde zand- en kleibeddingen kunnen worden aangemerkt. De geheele aardoppervlakte heeft namelijk, sedert hare eerste straks geschilderde vorming, nog aanzienlijke veranderingen ondergaan. Waar thans land is, ja zelfs hooge bergtoppen zich verheffen, daar was vroeger de zee, en omgekeerd; waar wij thans de zee vinden, daar bevond zich eertijds