Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/626

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 206 —

bepaaldelijk, teu gevolge der dunnere korst, de aardwarmte nog eenen grooteren invloed uitoefende, zoodat het klimaat overal nagenoeg hetzelfde was, als dat in de keerkringslanden. Dit blijkt uit de overeenkomst der planten, die op de meest verwijderde punten der aarde telkens weder in de steenkolen-beddingen worden gevonden,[1] en wier aard, te oordeelen naar hetgeen wij van dergelijke thans levende planten weten, eenen hoogen warmtegraad heeft gevorderd. Deze hoogere warmtegraad, gepaard aan een hooger koolzuur-gehalte des toenmaligen dampkrings, en de door deze oorzaken teweeg gebragte snelle plantengroei, verklaren ook de verbazende hoeveelheid der plantenoverblijfselen, die in de steenkolenbeddingen zijn opgehoopt. Doorgaans is hare dikte wel is waar van eenige duimen tot eenige weinige ellen, maar men vindt er ook (te Montcharnin) tot van 70 ellen dikte. Bedenkt men nu, dat de steenkolen soortelijk veel zwaarder zijn dan eenig plantenweefsel, hetgeen gedeeltelijk het gevolg is van de groote drukking waaraan zij onderworpen zijn, en dat bovendien slechts een gedeelte der planten, die hen gevormd hebben, in dien toestand zijn overgegaan, dan inderdaad moet de plantengroei gedurende die voorwereldlijke tijden zich met eene kracht ontwikkeld hebben, waarvan zelfs de oorspronkelijke wouden der keerkringsgewesten thans slechts een gebrekkig denkbeeld geven.

Ook is het er ver af, dat daar waar de steenkolenbeddingen eene mindere dikte hebben, de gezamenlijke hoeveelheid der daarin vergaarde plantenstof altijd geringer zoude zijn. Men treft namelijk doorgaans vele zulke beddingen boven elkander aan, afgewisseld door lagen, bestaande uit zandsteen, kalksteen, thonschiefer enz. Het getal dier beddingen bedraagt vaak van 20 tot 30, ja te Colebrooke-Dale in het Westen van Engeland zelfs 135, die te zamen eene dikte hebben van ruim 150 ellen. Dit afwisselen van steenkolen-beddingen met andere, welke de blijken dragen van onder water gevormd te zijn, is tevens een merkwaardig bewijs

  1. Eene nadere beschrijving der planten uit de steenkolen-formatie, door den Hoogleeraar de vriese gegeven, vindt de lezer in dit Album, Jaargang 1853, blz. 65.