Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/630

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 210 —

eene andere menschensoort zijn dan de blanken, en in ligchamelijk en verstandelijk opzigt ver beneden de laatsten en nader bij de dieren staan.

Zonder te onderzoeken of, indien al die minderheid des Negers bewezen kon worden, daaruit de regtmatigheid van de heerschappij des blanken over hem noodzakelijk volgen zoude, wensch ik in dit opstel kortelijk met u te onderzoeken, wat Negers zijn, en of men werkelijk regt heeft ze voor eene andere en lagere menschensoort te houden, dan de blanken.

Het kan aan geenen mijner lezers onbekend zijn, dat de onderscheidene volksstammen, die de aarde bewonen, onder elkander zekere verschillen aanbieden,—verschillen, die vooral berusten op de kleur der huid en op den vorm van het hoofd en het gelaat. Moeten wij nu in het algemeen die Verscheidenheden des menschelijken geslachts, en in het bijzonder de blanken en de Negers, slechts houden voor verscheidenheden, variëteiten, rassen, even als b. v. het Arabische, het Friesche en Hitlandsche paard, hoe verschillend ook, toch voor slechts verscheidenheden van ééne en dezelfde diersoort gehouden worden,—of zijn zij van elkander wezenlijk onderscheidene, op zich zelf staande soorten van menschen, gelijk b. v. het paard, de ezel, de zebra wezenlijk verschillende, op zich zelf staande diersoorten zijn?

Wil men deze vraag op eene eenigzins voldoende wijze trachten te beantwoorden, dan is het noodig, dat men zich eerst een juist begrip vorme van datgene, wat men eigenlijk onder eene diersoort verstaat.

Eene diersoort nu is de vereeniging van al die individus, welke in alle wezenlijke kenmerken zóó met elkander overeenkomen, dat men ze zou kunnen beschouwen als afstammelingen van één enkel paar, en die daarbij in den natuurstaat met elkander paren en vruchtbare jongen voortbrengen.—Twee of meer dieren behooren dus tot ééne soort, wanneer zij, in de eerste plaats, zoo weinig van elkander verschillen, dat men ze voor afstammelingen van één paar zou kunnen houden. Het behoeft wel naauwelijks te worden opgemerkt, dat dit nog geenszins zeggen wil, dat de dieren van ééne soort dan ook werkelijk van één paar afkomstig zijn.—Dit kenmerk van eene soort is evenwel nog