Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/722

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 302 —

(zie blz. 396), maar als het zoo dun is als onze vensterruiten, dan kan de warmte er desniettemin vrij gemakkelijk en dus spoedig door heen komen. Die ruiten nemen dus eenen warmtegraad aan, weinig hooger dan die der buitenlucht, en zij behouden dien, omdat zij de warmte, die zij van de lucht in het vertrek ontvangen, aan de buitenlucht weder afgeven. Het is dus duidelijk, dat er langs het glas een stroom van lucht, die door de nabijheid daarvan verkoeld en dus zwaarder is geworden, voortdurend neerdalen moet. Hieruit blijkt het nut der dubbele vensters, die men in enkele groote gebouwen bij ons, en in de noordelijke streken van ons werelddeel zeer veelvuldig gebruikt, om de verkoeling der vertrekken, die door de nu aangewezen oorzaak zoowel als door den togt te weeg gebragt wordt, belangrijk te verminderen.

Er worden ook,—om tot deze weder te keeren—gelijk bekend is, nog eene andere soort van kolomkagchels aangewend, die namelijk met eenen vierkanten vuurhaard, of, zoo als men wel eens hoort zeggen, met vierkanten voet. Deze hebben daardoor een voordeel boven de ronde, dat de rooster hier, bij dezelfde grootte van kagchel, eene belangrijk grootere oppervlakte hebben kan. Daardoor wordt teweeg gebragt, dat dezelfde hoeveelheid lucht, in denzelfden tijd daarin stroomende als dit in eene ronde kolom geschiedt, met veel mindere snelheid zulks doet, en dus veel meer tijd heeft, om eerst door de benedendeelen van de kagchel, en eindelijk vooral door de roosterstaven te worden verwarmd, vóór dat zij aan de brandstof komt, die zich met hare zuurstof verbinden moet. Zoo verwarmd zijnde, behoeft zij natuurlijk minder warmte aan de brandstof te onttrekken en de verbranding kan dus meer volkomen zijn. Bovendien liggen de brandstoffen op zulk eenen grooteren rooster niet zoo op elkaâr gestapeld, als dit noodzakelijk op kleinere het geval moet zijn. Het is niet moeijelijk te bewijzen, dat zulk opeenhoopen van de brandstof nadeelig, dus het vermijden daarvan voordeelig, zijn moet. Want de lucht komt het eerst in aanraking met die brandende deelen, welke het naast aan den rooster liggen, en staat daar een groot deel harer zuurstof af; ligt daarboven nu nog meer brandstof, dan bevindt zich deze in dezelfde omstandigheid als de