Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/750

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 330 —

moeras mogen nadeelig zijn, die van het water zijn het niet, en stroomend water vooral mag in dit opzigt zeer heilzaam genoemd worden.


Wij noemden reeds het licht, dat dien dampkring doorgaat en dat aan de warmte ten allernaauwste verbonden is. Ook hierbij is een fraai evenwigt aller werkingen aan te toonen. Het van de zon uitstralend licht wordt in onzen dampkring naar alle zijden gebroken en teruggekaatst, waardoor licht en warmte zich meer gelijkelijk door den dampkring verdeelen. Ware dit het geval niet, zoo zoude het licht op de eene plaats ondragelijk helder zijn en in de schaduw zoude volstrekte duisternis heerschen. De zoo nuttige overgangen van donkerheid tot licht, en de ochtend- en avondschemeringen, waren onmogelijk geworden.

Maar er is meer: met het licht wordt ook de warmte naar alle zijden teruggekaatst en blijft, van het eene ligchaam tot het ander overgaande, in den dampkring hangen, terwijl er intusschen weder een nieuwe toevoer van licht en warmte uit de groote bron derzelve plaats heeft. Hierdoor ontvangt de aarde meer warmte, dan zij door uitstraling en terugkaatsing verliest. Wanneer wolken het licht der zon onderscheppen, en er alzoo minder nieuwe warmte naar de oppervlakte des aardrijks toegevoerd wordt, zoo blijft de warmte, die er reeds is, langer hangen, omdat zij van de aarde naar de wolken en van deze weder naar de aarde wordt teruggekaatst. In hooge drooge luchtstreken zullen alzoo de dagen heeter, maar de nachten, door de uitstraling en verlies alzoo van warmte in eene heldere lucht, dikwijls kouder zijn. Lage vochtige streken, "waar dampen ons den dag verbieden," mogen minder sterk verhit worden door de onmiddellijke werking der zon, zij zijn, om de opgegevene reden, in het algemeen niet koud. In de nabijheid der zee mogen sommige vruchten, die veel licht en warmte behoeven, minder goed rijpen; het moge waar zijn, wat een spotvogel zeide, dat Engeland geene andere rijpe vruchten heeft dan gekookte appelen; nachtvorsten zullen daar zeldzamer zijn en de, vroeger geschetste, gelijkmatigheid van het zeeklimaat wordt voor een goed deel uit deze wet verklaard.