Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 55 —

dood en ontbinding; de hoop van den landman op eenen ruimen oogst was verdwenen. Velen voorspelden slechte oogsten voor opvolgende jaren en gaven den raad om het stelsel van den landbouw te veranderen. Een ongewoon heet zomerweder was vooraf gegaan, en werd door plotselijk dalen van den thermometer, door slagregens en koude dagen gevolgd. Het gewas, dat te weelderig was uitgegroeid, werd op eens in zijnen groei, in zijne uitwaseming gestoord. De aangevoerde stof moest in de plant terug blijven, zij kon nergens uitweg vinden; de knol was niet rijp, het meel niet gevormd, maar dreef als in een te overvloedig vocht, dat stilstond en weldra tot verrotting moest overgaan. Het loof en de steng verwelkten, verrotten. Zie daar, dunkt mij, de eenvoudige eerste oorzaak en het beloop van eene ziekte, die een volksramp werd hier en elders, en waarvan elk jaar ons in meerdere of mindere mate de treurige gevolgen doet zien.

De bladen zijn te vergelijken met de longen en de huid der dieren. Zij ontlasten het ligchaam van stoffen, die, zonder schade van het geheel, in de massa niet kunnen terug blijven. Maar, terwijl zij nu de sappen optrekken, worden zij zelven er door gevoed en ontleenen zij uit de opgestegen vloeistof de bestanddeelen voor hunne eigene ontwikkeling. Bij den aanvang bleek, dun, vliezig, teeder in hun zamenstel, worden zij later allengs dikker, meer vezelig, soms, men zou zeggen lederhard, donkergroen en blinkend. Zoo zijn zij gesteld midden in den zomer. En later? Men ziet ze de groene kleur allengs verliezen, geel worden, slap neder hangen. Andere worden rood, zij krijgen de eigene kleuren, die wij najaarskleuren noemen, en die aan bosschen en lusthoven zulk eene eigenaardige bekoorlijkheid verschaffen, welke in het najaar het leven op het land veraangenaamt, en zoo noode bosch en velden voor het stadsgewoel doet verwisselen. De eik wordt bruin, de zwarte beuk verbleekt, de esch verliest het groene kleursel, de ahorn wordt geel en zwart, de wilde wijnstok purperkleurig, de kornoelje rood en geel,—het geheel geeft een eigenaardig bont mengsel van de schoonste schakeringen, waarbij niets aan lente-, noch zomergetijde denken doet. Maar al dat schoone is niets dan de aan-