Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/81

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 57 —

Waar zouden wij eindigen, indien wij wilden voortgaan met voorbeelden aan te voeren en op te sommen, van wat al aan de verdamping en hare verhouding tot opslorping is toe te schrijven? Beperken wij ons daarom, en herinneren wij nog slechts dit, dat de planten ook vochtigheid uit de lucht opnemen; dat niet enkel de wortelen voedingsstoffen uit den bodem, maar de bladeren ook andere, in gasvormigen toestand verkeerende stoffen uit de lucht opnemen; dat verdamping en opslorping door groene deelen afhangen van den vochtigheidstoestand van de lucht, van dien der plant, en dien van den grond; dat de natuur der gewassen door die voorwaarden aanmerkelijk wordt gewijzigd, en dat daarvan mede afhangen de vormen en eigenschappen, die de planten ons aanbieden in de verschillende luchtstreken en op hare zoo onderscheidene standplaatsen.

De kennis van het nu behandelde is niet zonder praktisch nut. Eene goede bewatering of droogmaking van den grond is immers voor den landman niet minder gewigtig, dan eene goede bemesting. Het water, dat de plant moet uitdampen, moet ook aan haren wortel worden aangebragt. Waar zou de grens van deze mededeeling zijn, als wij wilden beproeven om al de groote verschijnselen te vermelden, die de plantengroei, door de uitwaseming, te weeg brengt in de geheele natuur. Immers, waar bosschen zijn, is de luchtgesteldheid vochtig, zijn de gronden veelal vruchtbaar. De groote stroomen der aarde ontstaan veelal van boschrijke gebergten en storten zich meestal op verre afstanden van daar in de zeeën. De bevolkingen zetten zich aan hunne vruchtbare boorden neder; kultuur, welvaart en beschaving houden gelijken tred. Waar geen plantengroei is, daar is de bodem dor, de luchtgesteldheid vaak droog; het regent er zelden. Menschen en dieren vlieden als 't ware die dorre en onvruchtbare oorden. Uitgestrekte streken van het westen van Zuid-Amerika, waar het nimmer regent en waar geen vegetatie is, kunnen als bewijzen er van worden aangevoerd.

Wij hebben slechts één gedeelte van de dusgenaamde ademhaling der planten in deze bladzijden besproken. Maar die beschouwing kan niet op zich zelve staan. Licht en lucht en warmte zijn de magtige prikkels van den groei. Wat zij op de planten te weeg