Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/106

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE MIEREN IN ZUID-AMERIRA.

 

 

Wij rustige bewoners van het Noordelijk halfrond kunnen ons geen juist denkbeeld vormen, van de verbazende menigte, waarin de mieren op vele plaatsen der warme luchtstreken worden gevonden. Al mogen wij soms in bewondering staan bij het. aanschouwen van deze diertjes, hoe zij in reijen en gelederen, nimmer in rust, onophoudelijk heen en weêr trekken, het werkzame volkje deert ons niet, en onbeschroomd vervolgen wij onzen weg, terwijl onze voet honderden hunner soms onwetend vertreedt. Anders is het in de keerkringsgewesten; talloos zijn de klagten der huisvrouwen, die in hare ligte woningen nagenoeg niets beveiligd achten tegen hunne invallen, tenzij zij hare kisten en kasten bij wijze van forteressen versterken, die op hoogten plaatsen en de voeten daarvan omgeven met bakken met water, als ondoorwaadbare grachten, door deze kleine vijanden ten zeersten geschuwd. Talloos ook zijn de klagten van den reiziger, vooral wanneer hij de maagdelijke bosschen bezoekt, en velen wordt het genot der schoone natuur door de onophoudelijk bezoeken van mieren van allerlei soort vergald, mieren, die zoodanig kunnen bijten of steken, dat men, zoo als blume ons leert, zich soms van pijn verpligt ziet, om zich te wentelen over den grond. Zonder te treden in eene beschouwing der verschillende soorten van deze overigens zeer belangwekkende diertjes of hunne werkelijk verwonderlijke gewoonten, willen wij onzen lezers een klein staaltje mededeelen van hetgeen een beroemd reiziger daarvan eens in het Nieuwe Werelddeel heeft bijgewoond.

"Eensklaps," zoo verhaalt hij, "hield onze kolonne, die het woud