Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/119

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 105 —

door de aanschouwing van het vreesselijk tooneel. De hitte was zoo hevig, dat het niet mogelijk was den krater binnen veertig of vijftig ellen te naderen van den kant waar de wind af blies, en waarschijnlijk van den tegenovergestelden kant niet binnen de twee mijlen.

De uitbarsting, gelijk boven gezegd is, begon op den top zelven van den berg; maar het schijnt dat de zijdelingsche drukking der in zijne ingewanden besloten lava zoo groot was, dat deze zich eenen weg baande op eene zwakke plaats van de zijde des bergs; terzelfder tijd echter spleten en scheuren vormende over den geheelen afstand van den top tot aan de eigenlijke plaats der uitbarsting. De berg werkte als een omgekeerde hevel; de gesmolten lava, tot eene hoogte van 2000 of 3000 voet boven den zijdelingschen krater staande, en daarmede door onderaardsche kanalen verbonden, spoot door deze opening even als eene fontein, met eene kracht, waardoor de brandende massa's tot 400 of 500 voet hoog werden geworpen. De uitbarsting was begonnen in eene diepte in den berg, maar reeds had zich uit de uitgeworpen stoffen een wal gevormd van 200 voeten hoogte, welke de opening als een holle geknotte kegel omgaf. Deze kegel was ongeveer een halve mijl in omtrek aan zijnen voet, en de opening van den top zal omstreeks 300 voeten in middellijn bedragen. Ik naderde zoo nabij als ik de hitte verdragen kon, en stond te midden van de asch, de sintels, de slakken en puimsteen, die verre en in woeste wanorde verspreid lagen.

Uit de schrikkelijke keel van dezen kegel werden breede en zamenhangende stralen van roodgloeijende, somtijds witgloeijende lava uitgespoten met een gedruisch, dat schier oorverdoovend was, en eene kracht, die den berg dreigde vanéén te splijten. Somtijds schenen de geluiden onderaardsch te zijn, dof en helsch. Eerst een gebrom, een gesis of waarschuwend geblaas. Dan volgde eene geweldige ontploffing, als van volle lagen in eenen zeeslag, of van de snelle afvuring van het geschut, batterij na batterij, op het slagveld. Een andermaal geleek het geluid naar dat van eenige duizendtallen hevig aangeblazen fornuizen. Dan weder was het als een