Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/120

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 106 —

ratelend tweegelederenvuur. Soms was het gelijk aan het bruischen van den oceaan tegen eenen rotsigen oever, en enkele malen aan het rollen van eenen verwijderden donder. De ontploffingen werden gehoord langs de kust bij Hilo.

De uitbarstingen waren niet tusschenpoozend maar aanhoudend. De gesmolten lava steeg gestadig naar omhoog en daalde weder geheel op de wijze van het water in eene fontein. De kracht, welke deze vurige zuilen uit de opening dreef, deed en in millioenen deelen splijten van ongelijke grootte, waarvan sommige op hetzelfde oogenblik opstegen, andere nedervielen, eenige zijdelings schoten, andere sierlijke bogten beschreven. Elk deel verspreidde eenen lichtglans als Sirius, en alle soorten van meetkunstige figuren werden gevormd en weder vernietigd. Geene tong, geene pen, geen penseel kan de schoonheid, de grootschheid, de verschrikkelijke verhevenheid van het tooneel schilderen. Het kan alleen gevoeld worden.

Het duurde meer dan een half uur na mijne aankomst aan den krater, eer mijn gids kwam opdagen. De avond begon te vallen, en ik had tegen de doordringende koude geene andere beschutting dan den overjas en de deken, welke hij met zich droeg. Reeds begon ik te vreezen, dat hij het voortzetten van den togt had opgegeven. Ik spande mijne oogen in om elken rotstop op het pad, waarlangs ik den krater genaderd was, te bespieden. Ten laatste kwam zijne gedaante te voorschijn, langzaam zijnen kronkelenden weg vervolgende tusschen de zwarte en hobbelige massa's van lava; en zoo immer mijn hart van blijdschap opsprong, of eenen man lief had, of den Heer zegende, dan was het toen. Zijne handen omhoog heffende en zijnen mond openende als een krater, riep de oude held der bergen uit: "Kapaianaha! Kapaianaha!!" (Wonderbaar! Wonderbaar!) "Kapaianaha loa na hana ake Akua!!" (Wonderbaar zijn de werken Gods!!)

Toen de nacht daalde, trokken wij terug tot op omstreeks een mijl van den krater, en namen eene stelling in waar wij een volkomen overzigt van het geheele tooneel hadden. Hier hielden wij halt, niet voorwaar om te slapen, want dit was onmogelijk, maar om te waken, om te luisteren naar het ontzagwekkend geloei en