Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/128

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 114 —

mensch naderen, de Chimpansé, de Orang-oetan en de Gibbons. Bij allen, hoewel niet in dezelfde mate, vertoont zich de toenadering tot den menschelijken vorm in de gedaante en ook in het getal der tanden, in welving des schedels, geringe uitpuiling van het aangezigt, gewelfde borstkas, platten rug, gemis van staart en van eeltachtig achterdeel, platte nagels aan vingers en aan teenen, waarvan de toppen dezelfde lijnen vertoonen als bij den mensch, naakt aangezigt, bij bejaarde Orang-oetans met knevel en baard bedekt, ronde kin en gezwollen lippen, wenkbraauwen, oogleden en uitwendig oor, vooral bij den Chimpansé, gesteld als in den mensch. Het ligchaam, minder behaard dan dat der overige apen, vertoont zelfs in de rigting der haren eenige toenadering tot den mensch, door de rigting naar boven van het hoofdhaar, en door hetgeen men aan den elleboog ziet plaats grijpen, alwaar het haar van den bovenarm zich naar beneden, en van den voorarm naar boven buigt.

De Chimpansé (Troglodytes niger) is een inwoner der kusten van Guinea en Angola, vanwaar hij echter allengs meer naar de binnenlanden is verdrongen. Tot voor weinige jaren hield men hem voor den eenigsten Anthromorphe in Afrika. Heden echter heeft men er eenen tweeden, hoewel dieper in het binnenland leeren kennen,—den Gorilla (T. Gorilla).—Hoogst opmerkelijk is het, dat men van dezen reusachtigen aap, wien de inboorlingen nu nog voor een mensch aanzien, reeds melding gemaakt vindt in eene inscriptie, welke de Carthaagsche admiraal hanno in den tempel van Saturnus heeft geplaatst, en welke van daar, bij de verwoesting van Carthago, door de Romeinen werd overgenomen, en onlangs door de zorg van dureau de lamalle is vertaald. Hanno spreekt van wilde menschen en van behaarde vrouwen, welke zijne tolken Gorillen noemden. Hij heeft ze vervolgd en getracht te vangen, maar de mans zijn hem ontsnapt, terwijl hij slechts drie vrouwen heeft kunnen meester worden, die zoo geweldig van zich afbeten en sloegen, dat men haar heeft moeten dooden. Hanno bragt hare huiden naar Carthago, alwaar hij ze in den tempel van Juno (Astarté) deed bewaren.—Dit geschiedde