Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/215

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 201 —

vergrooting, voor haar doel onbruikbaar zijn, en ten derde, omdat ik een eenvoudig middel kan aanwijzen, waardoor ieder wordt in staat gesteld, de vergrooting van de oogbuis, die hij ontvangen heeft, met eene toereikende juistheid te beoordeelen.

In mijne Beschrijving en Afbeelding van den Sterrenhemel (uitgave van het jaar 1853, van bladz. 627 tot bladz. 643) heb ik, met uitvoerigheid en op eene algemeen verstaanbare wijze, over het zamenstel der kijkers gehandeld. Ik kan het aldaar meegedeelde hier niet in zijn geheel teruggeven, maar, om verstaan te worden bij hetgeen ik nu omtrent het doelmatig gebruik der kijkers van molteni, en van kijkers in het algemeen, te zeggen heb, ben ik verpligt de hoofdpunten daaruit kortelijk aan te stippen. Het grootste glas van den kijker, dat men altijd aan een der uiteinden van de buis geplaatst vindt, en dat altijd naar het voorwerp wordt toegekeerd hetwelk men beschouwen wil, wordt het voorwerpglas des kijkers genoemd. De lichtstralen, die, van een ver verwijderd punt uitgaande, op het voorwerpglas invallen, worden, door dat glas, zoodanig gebroken, dat zij zich, aan zijne andere zijde, binnen de buis des kijkers, weder in één punt vereenigen. Ieder der punten, die een verwijderd voorwerp zamenstellen, heeft alzoo een hereenigingspunt zijner stralen aan de andere zijde van het glas, en die hereenigingspunten vormen met elkander een beeld van het voorwerp, dat, met betrekking tot het voorwerp zelf, het onderst boven staat. Het voorwerpglas wordt uit twee glazen zamengesteld, eensdeels om de kleurschifting op te heffen, die de breking van lichtstralen vergezelt, anderdeels om het bezwaar te verminderen, uit de omstandigheid voortvloeijende, dat de stralen, op een glas met kogelvormige oppervlakken invallende, zich niet volmaakt in één punt kunnen hereenigen. Het beeld van het voorwerp wordt op eenen afstand van het glas gevormd, die niet alleen van de natuur van het glas en den vorm zijner oppervlakken, maar ook van den afstand van het voorwerp afhangt. Is het voorwerp oneindig ver verwijderd, zoodat zijne stralen evenwijdig aan elkander op het glas invallen, zoo is de afstand van het beeld tot het glas het kortst, en dan wordt hij de voorname brandpuntsafstand van het