Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/319

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 305 —

slepen, dat zij hulde bewezen aan een verachtelijk onkruid, aan eenen Parasiet.

Hoogst merkwaardig is het, dat dezelfde eerbewijzingen, die voor 2000 jaren door de Germanen en Kelten aan de Vogellijm bewezen werden, thans nog bij een geheel verschillenden volksstam plaats hebben ten opzigte van Parasieten, die met deze plant de grootste overeenkomst hebben. De Vogellijm behoort tot de familie der Loranthaceën, die in de tropische gewesten, en ook op ons heerlijke Java, hare schitterende vertegenwoordigers heeft. Op dat klassieke en plantrijke eiland hangen de Loranthaceën met hare gloeijend roode bloemen aan de heilige vijgenboomen (Ficus religiosa) die de pagoden en tempels beschaduwen, en de Javanen beschouwen ze met eerbied en welgevallen, want zij gelooven dat de schimmen van hunne vaderen, die nog rondom die tempels zweven, zich in den aanblik dier woekerplanten verlustigen, en ze bewonen als een verblijf van vrede en rust.

Maar wij zullen de Marentakken en de schimmen der Javanen verder met vrede laten en een sprong doen van den meest ontwikkelden tot den laagsten vorm der zigtbaarbloeijende Parasieten.—Wij blijven het oog vestigen op den Indischen Archipel, op de donkere, door Olifanten en Neushoornen bewoonde wouden van Sumatra. Daar groeit op de stammen van eene soort van wilden wijnstok (Cissus) de Rafflesia, de zonderlingste van alle Parasieten, de monsterachtigste verschijning in het plantenrijk.

De Rafflesia heeft geen stengel, geen wortel, geen bladen; de geheele plant is niet meer dan eene bloem; maar eene bloem van drie voet middellijn, de grootste bekende bloem van den aardbol. Onmiddelijk uit den stam van den Cissus ontspruit zijne knop, die in den beginne de grootte en het aanzien eener muskaatnoot heeft, en binnen drie maanden tot geheele ontwikkeling komt. De knop heeft eene donker violette of bruine kleur; de bloem is vuil wit met een rood binnenste bij Rafflesia Patma en bruingeel bij Rafflesia Arnoldi. De laatstgenoemde is het eerst bekend geworden en in 1818 door Dr. arnold, een engelsch reiziger in Sumatra, in tegenwoordigheid van den beroemden gouverneur stamford raffles gevonden. Zij