Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/342

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 328 —

Tegenwoordig wordt de struisvogel, behalve in Egypte, in de meeste vlakke en opene streken van Afrika aangetroffen. Het blijkt intusschen uit de vergelijking van een groot getal levende voorwerpen dat de struizen, welke uit het noordwestelijke gedeelte van Afrika, b.v. van Algiers, Tripoli en Tunis tot ons gebragt worden, altijd aanzienlijk kleiner zijn dan die, welk van de Kaap de Goede Hoop levend tot ons komen.

De struisvogel wordt in vrijen staat meestal troepsgewijze aangetroffen. Hij loopt met buitengewone snelheid, schielijker als een paard, en met uitgebreide vleugels, welke hij als het ware dan riemen in de lucht gebruikt, om zijnen loop te versnellen. Het is een sterke vogel, die vooral veel kracht in de pooten heeft. Zoo als bij de meeste vogels, zijn het de zinnen van het gezigt en het gehoor, die ten koste der overige ontwikkeld zijn. Hij wordt, vooral in de gevangenschap, zeer vet. Het vleesch der jonge vogels wordt gegeten; dat der ouden is taai en heeft een slechten smaak. De struisvogel voedt zich met zaden en allerlei planten, en slikt dikwijls steenen of andere harde voorwerpen in. In de gevangenschap wordt hij meestal met granen of allerlei andere zaden, wortels of andere groenten, zoo als salade, en met brood gevoed. Hij drinkt dagelijks omstreeks acht pond water, in den winter nog meer, maakt, zoo als vele andere vogels, zijne vederen gaarne nat en baadt zich in het zand.

De struizen houden zich meestal op groote met gras, heide, of andere kruiden begroeide vlakten op, en worden somtijds in troepen van eenige honderden aangetroffen. Bij aannaderend gevaar nemen zij spoedig de vlugt, waarbij zij, tegen den wind in, met groote snelheid wegrennen. In den tijd der voortplanting leeft ieder mannetje met zijne drie of vier wijfjes afzonderlijk. Deze leggen hare eijeren gezamenlijk in een nest, hetwelk uit eene eenvoudige uitholling van den grond bestaat en om welke zij eene soort van dam van aarde of zand krabben. De eijeren worden door elkander gelegd en liggen niet bij uitsluiting op de puntige einden, zoo als sommige reizigers opgegeven hebben. In de meer gematigde streken, zoo als in Zuid-Afrika, worden de eijeren bebroed, en men zegt, dat de haan vooral des nachts daarop zit, ten einde de roofdieren, welke de