Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/351

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 337 —

namelijk, een sterk ontwikkelden achterteen of duim, die bij de overige vogels dezer familie, of klein is, of, zoo als de binnenteen bij den Afrikaanschen struis, geheel ontbreekt. Men heeft uit beschrijvingen en afbeeldingen der oude reizigers, zoo als uit eenige overgeblevene beenstukken, kunnen opmaken, dat er ten minste vijf onderling zeer verschillende soorten van Dodo's hebben bestaan, wier vaderland bij uitsluiting scheen bepaald te zijn tot de drie bovengenoemde eilanden; ja, het is zelfs met zekerheid aan te nemen, dat, althans van de groote soorten, ieder slechts aan een dezer eilanden eigen was. Wij willen nu kortelijk verhalen, wat wij van deze merkwaardige vogels weten.

De soort, welke het meest volledig bekend is, welke de natuuronderzoekers zoo zeer heeft bezig gehouden, en aanleiding heeft gegeven tot een groot getal werken en geschriften en tot het bekendmaken van de meest uiteenloopende meeningen, omtrent haren waren aard, is


DE GEWONE DODO.
(Didus ineptus), Linné.

Deze merkwaardige vogel werd het eerst ontdekt op den 18 September 1598, gedurende den tweeden scheepstogt der Hollanders naar Oost-Indië, onder het bevel van den admiraal jac. corneliszoon van neck. Deze tweede vloot (de eerste werd, zoo als bekend is, door corn. houtman aangevoerd), was in 1598 ten getale van acht schepen van Amsterdam uitgezeild, geraakte echter, nadat zij de Kaap de Goede Hoop omgevaren was, door eenen zwaren storm uit elkander, met dit gevolg, dat zij haren togt in twee afdeelingen vervolgde. De eerste afdeeling, bestaande uit drie schepen, waarop zich ook de Admiraal van neck bevond, zeilde, na het eiland St. Maria, aan de kust van Madagaskar, aangedaan te hebben, regtstreeks naar Bantam. De tweede, uit vijf schepen bestaande, onder het geleide van den Vice-Admiraal wijbrand van warwijk, een Amsterdammer, landde op den 18den September aan een eiland, hetwelk men Mauritius noemde, van hetwelk het reisverhaal echter vermeldt, dat het reeds door de Portugezen Ilha do Cerne genoemd werd. Onze Hollanders vonden aan en op de kust van dit onbewoonde eiland, waar