Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/360

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 345 —

DE KLEINE DODO VAN HERBERT.
(Didus Herbertii).

Kleine Dodo van Herbert

Leguat verhaalt, dat er op Rodriguez ook Gelinottes voorkomen. Deze vogels, zegt hij, konden niet vliegen en werden, even als die van Mauritius, gevangen, door hun een stuk rood laken voor te houden. Hun bek was twee duim lang, regt en puntig. Zij waren grijs van kleur. Herbert heeft eenen vogel afgebeeld, op welken deze beschrijving beter past, dan op eenige andere soort. Zijne afbeelding schijnt in ieder geval een anderen vogel voor te stellen dan die van van den broucke. Herbert intusschen was Rodriguez slechts voorbij gevaren, en had daarentegen, in 1629, Mauritius bezocht. Wanneer men aanneemt, dat, zoo als het schijnt te blijken, iedere soort van Dodo slechts tot een der drie eilanden beperkt was, zoo moet men vooronderstellen, dat de teekening van herbert, die het meest met de beschrijving van leguat overeenstemt, den kleinen Dodo van Rodriguez voorstelt, en dat de door herbert gegeven afbeelding hem door een of anderen zeevaarder uit Rodriguez werd medegedeeld. Ook deze vogel heeft blijkbaar het lot der overige Dodo's ondergaan, want sedert leguat wordt er door geen reiziger gewag van gemaakt.


DE MOAS.
(Dinornis).


Men heeft, sedert het jaar 1839, allengskens eene groote menigte beenderen van groote vogels uit Nieuw-Zeeland naar Europa gebragt. Deze beenderen werden meestal op het noordelijke eiland, aan de oevers van rivieren gevonden, en wel in eenen klei- en mergelachtigen grond, van zeer nieuwe vorming, of niet zelden in menigte bij elkander en alsdan door heuveltjes van zand bedekt. Uit het onderzoek dezer beenderen bleek weldra, dat zij aan een aanzien-