Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/378

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 364 —

tering der producten niet te miskennen. De verdeeling des arbeids wordt nu al gaande weg volkomener, naarmate de vooruitgaande beschaving al hoogere en hoogere eischen doet, en meerdere kennis en ervaring in staat worden om aan die eischen te voldoen; en naar die zelfde mate worden de producten menigvuldiger, meer verscheiden, doelmatiger en schooner, met één woord, meer volkomen.

Die verdeeling van den arbeid is ook door de natuur aangewend als middel, om de dieren tot hoogere volkomenheid optevoeren. Het dierlijk organisme toch gelijkt naar eene meer of min uitgestrekte werkplaats, in welke de organen, als zoovele werklieden, arbeiden aan het voortbrengen dier verschijnselen, die de uitdrukkingen van het leven zijn. Even als nu in eene fabriek, waar de verdeeling van den arbeid niet of onvolkomen is ingevoerd, de producten in hoedanigheid zullen achterstaan bij diegene, bij wier bewerking dat beginsel in het oog is gehouden—wel te verstaan altoos bij gelijk verbruik van krachten en tijd—zoo zullen ook de voortbrengselen van den organischen arbeid bij die dieren, bij welke de verrigtingen, en zelfs elk der onderdeelen van die verrigtingen, door afzonderlijke, daartoe opzettelijk ingerigte werktuigen worden uitgeoefend, volkomener zijn, dan bij die, waar die verdeeling van den arbeid niet of onvolkomen plaats vindt,—en het dier zelf zal ook dientengevolge volkomener kunnen genoemd worden.

Werpen wij eenen blik op de hoofdverrigtingen van het dierlijk organisme; wij zullen ontwaren, dat de natuur den arbeid over meer verschillende organen verdeeld, elke verrigting meer aan een bepaald orgaan verbonden, gelocaliseerd heeft, naarmate wij van de lagere tot de hoogere dieren opklimmen.

 

 

Wat dan vooreerst de spijsvertering aangaat, zoo bestaat daarvoor bij de allerlaagste diervormen geen afzonderlijk orgaan. Even als bij de laagste plantsoorten, slurpt hunne geheele uitwendige oppervlakte het water op, waarin zij leven, hetgeen dan het geheele weefsel des diers doordringt, en in de zelfstandigheden, die het opgelost houdt, aan dit de stof levert tot onderhoud en groei. Bij