Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/379

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 365 —

anderen, die van vaste zelfstandigheden leven, zoude volgens kölliker en nicolet slechts eene tijdelijke, accidentele maag of spijsholte voortgebragt worden door het inpersen van zulk eene zelfstandigheid in het weeke ligchaam des diers[1]. Zoodra men echter eenigzins hooger klimt, vindt men algemeen, en voortaan altijd, eene ware spijsholte, eene maag, waarin de spijsvertering plaats heeft. Eerst is deze echter zeer eenvoudig, eene soort van zak, die slechts eene enkele opening naar buiten heeft, door welke niet alleen het voedsel naar binnen geraakt, maar ook het onverteerde weder naar buiten ontlast wordt. Doch bij die Polypen, die de orde der Bryozoa vormen, en bij de klasse der Stekelhuiden, vertoont zich niet alleen eene tweede tot dit laatste doel geschikte opening, waardoor dus nu de spijsholte den vorm van eene aan beide einden geopende buis aanneemt, maar bovendien begint zich al spoedig die buis door beurtelingsche vernaauwingen en verwijdingen in onderscheidene holten af te deelen, welke verdeeling hooger op al gaande weg duidelijker en meer bepaald wordt, terwijl elke dier holten bijzonderheden aanbiedt, die in verband staan met de bepaalde rol, welke zij, als mondholte, slokdarm, maag en darmen, bij het werk der spijsvertering te vervullen hebben.

Gelijk bekend is, geschiedt de spijsvertering vooral door de scheikundige werking van zekere door bijzondere organen afgescheidene vochten. Bij de laagste van eene maag voorziene diersoorten is er naar alle waarschijnlijkheid slechts een enkel verteringsvocht, dat door de zeer eenvoudige spijsholte wordt afgescheiden. Maar reeds bij sommige Polypen en bij de Zeesterren treffen wij zekere andere organen aan, die zich bij de laatsten onder den vorm van blinde aanhangsels der maag binnen de stralen bevinden, en welke als de eerste sporen der galafscheidende organen moeten worden aangemerkt, die zich vervolgens al meer en meer ontwikkelen, en, bij de hoogere dierklassen, de lever vormen. Bij de Raderdieren, Ringwormen, Spinnen en Insekten vertoonen zich bovendien speekselklieren; daar, waar de afdeeling van de spijsbuis in afzonderlijke holten

  1. Zie Album der Natuur voor 1852, blz. 126.