Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/389

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 375 —

drukken, begint te vervelen om hetzelfde thema op oneindige wijzen te variëren, dat zij er toe besluit om een nieuw deel in de organisatie in te voeren.

Het zou niet moeijelijk zijn bij een overzigt van de verschillende afdeelingen des dierenrijks dit met een groot aantal voorbeelden te staven. Doch dit doende zoude ik de palen van dit opstel verre moeten te buiten gaan. Ik vergenoeg mij dus slechts een enkel voorbeeld, niet als bewijs, maar als opheldering van het gezegde aan te voeren.

Bij vele der laagste vormen der Schaaldieren is geen spoor van zelfstandige ademhalingswerktuigen te ontdekken; bij andere is de ademhalingsverrigting wel is waar reeds gelocaliseerd, maar het zijn de vliezige en bladvormige pooten, die tegelijk tot zwempooten en tot kieuwen dienen. Bij de Gelijkpootigen (Isopoda) bemerkt men eene engere localisatie der kieuwen, maar het zijn toch de pooten, schoon alleen de achterste of buikpooten, die deze verrigting uitoefenen. Bij de steurkrab (Squilla) bestaan zelfstandige kieuwen; maar nog zijn het de buikpooten, die hier door hare beweging de vernieuwing des waters langs de oppervlakte der kieuwen bevorderen, en dus de mechanische werktuigen der ademhaling uitmaken. Bij de Tienpootigen (Decapoda) eindelijk zijn de kieuwen in afzonderlijke holten opgesloten; maar nog dient hier het tweede paar kaken, grootendeels aan zijne oorspronkelijke bestemming onttrokken, tot hetzelfde doeleinde, als de buikpooten bij de steurkrab.

Maar het overzigt van de hoofdverrigtingen der dieren, dat ik straks gaf, leverde reeds van dergelijke bijzonderheden een aantal voorbeelden. Ik herinner u b.v. hoe de natuur, wanneer zij ten dienste der beweging een stelsel van hefboomen in de dierlijke bewerktuiging invoert, daartoe in de eerste plaats een reeds bestaand orgaan, de huid, gebruikt, en eerst veel hooger op, zich een gansch ander plan kiezende, ten dien einde nieuwe, inwendig gelegene deelen vormt, die met de uitwendige hefboomen niets gemeens hebben, dan hun doel.