Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/390

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 376 —

Na al het gezegde zoude men toch nog gevaar loopen zich van de wijze, waarop de natuur bij de volmaking der dieren is tewerk gegaan, een geheel verkeerd denkbeeld te vormen, indien men niet twee andere bijzonderheden in aanmerking nam, die zich hier voor ons opdoen. Ik bedoel de onderlinge onafhankelijkheid van de volmaking der verschillende stelsels en organen—en de verscheidenheid der grondvormen of typen.

Wanneer wij ons die trappen van volkomenheid vertegenwoordigen, die wij kunnen waarnemen tusschen den mensch en die diersoorten, die niet of ter naauwernood het karakter der dierlijkheid dragen, dan zouden wij op het denkbeeld kunnen gebragt worden, dat alle dieren, hunne meerdere of mindere volkomenheid in aanmerking genomen, eene enkele onafgebrokene reeks uitmaken, die zich van die laagste diersoorten tot den mensch verheft. En wezenlijk is dit denkbeeld bij sommige natuurkenners opgekomen, en door hen verkondigd. Reeds bij den ouden conrad gesner treffen wij het aan, maar het werd later verder ontwikkeld, eerst door leibnitz, en daarna vooral door bonnet.[1]

Een der wijsgeerige beginselen van leibnitz was de wet der aaneenschakeling, welke inhoudt, dat alles in de wereld, zoowel in tijd als ruimte, met elkander zamenhangt; en dit beginsel bragt hem er toe, om te stellen, dat alle klassen van levende wezens eene onafgebroken keten vormen, van welke keten de onderscheidene plant- en diersoorten de schakels zijn, die aaneensluiten, zonder eenige tusschenruimte over te laten. Het vertrouwen van leibnitz op de deugdelijkheid van dit beginsel ging zoo ver, dat hij het eenmaal ontdekken van plantdieren, die met evenveel regt voor planten als voor dieren konden gehouden worden, als iets zekers en noodzakelijks durfde voorspellen, dat bij hem aan geen den minsten twijfel onderhevig was, hoewel men dan ook tot dus ver niets dergelijks gevonden mogt hebben.

Het was echter vooral bonnet, die het beginsel van eene onafgebrokene aaneenschakeling, met hooge ingenomenheid en in wel-

  1. Contemplation de la nature, 2 T., Amst. 1764.