Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/410

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 2 —

die hem kenden, groote verwachtingen bouwden, om verder aan de Hoogeschool te Utrecht zijne studiën in de wis- en natuurkundige wetenschappen voort te zetten. Het was het tijdperk, gedurende hetwelk moll een der sieraden dier Hoogeschool was, en vooral tot hem, den levendigen genialen man, voelde rueb zich aangetrokken, welligt juist uit hoofde der tegenstelling, die zijn onderwijs met het vroeger genotene opleverde.

Op den 19den November 1834 verwierf hij den doctoralen graad, na verdediging eener dissertatie: De motu gyratorio corporis rigidi, nulla vi acceleratrice sollicitati.

Den 8sten Maart 1836 werd hij door den stedelijken raad benoemd tot tweeden onderwijzer in de wiskunde aan het Utrechtsch Gymnasium, van welke betrekking hij echter reeds den 12den December 1838 op zijn verzoek weder ontheven werd.

In de maand Februarij van 1839 begaf hij zich op reis, bepaaldelijk met het doel, om buitenlandsche wetenschappelijke instellingen, inzonderheid die welke aan de beoefening der sterrekunde gewijd zijn, te leeren kennen. Hij bezocht achtereenvolgens Parijs en andere plaatsen in Frankrijk, stak toen over naar Engeland, waar hij eenen geruimen tijd te Londen, Oxford, Cambridge en in andere steden vertoefde, begaf zich van daar naar Hamburg, en toen naar Berlijn. Het was op die reis, dat hij de tijding ontving zijner benoeming tot Observator bij de Sterrewacht aan de Hoogeschool te Utrecht, bij koninklijk besluit, gedagteekend 19 December 1839, welke betrekking hij, in Julij 1840 teruggekeerd zijnde, aanvaarde. Later, namelijk bij koninklijk besluit van 16 Junij 1843, werd hij bovendien benoemd tot Lector in de Sterrekunde en hem tevens de directie van de sterrewacht opgedragen.

Behalve deze betrekkingen nam rueb er echter nog verscheidene andere waar, tot welker vervulling hij werd aangezocht, en die, beter dan eenige lofrede, toonen, hoe zij, die rueb van nabij kenden, zijnen ijver en bekwaamheden op prijs wisten te stellen. Altijd bereid om, waar hij kon, nuttig te zijn en het goede te helpen bevorderen, bekleedde hij gedurende verscheidene jaren den lastigen post van secretaris en penningmeester van het leesmuseum, terwijl