Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/481

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 71 —

dan de ware zon, door het zuiden gaan, en de middelbare zonnetijd van een bepaald oogenblik is het aantal middelbare zonne-uren, minuten en secunden, op dat oogenblik, sedert den laatsten doorgang van de middelbare zon door het zuiden verloopen. Het is ligt te berekenen welk punt van den hemel door zulk eene middelbare zon, op een gegeven oogenblik, moet worden ingenomen, en uit de bekende beweging van de ware' zon kan ook de plaats van deze, voor datzelfde oogenblik, worden afgeleid. Uit die betrekkelijke standplaatsen berekent men hoeveel de middelbare en de ware zonnetijd van elkander moeten verschillen. Dat verschil draagt den naam van tijdsvereffening, en is het eenmaal gegeven, zoo is het uiterst ligt den middelbaren tijd tot den waren, en den waren tot den middelbaren tijd te herleiden. Door de invoering van de middelbare zon en den middelbaren tijd heeft men eene eenheid om den tijd te meten aan de onregelmatige schijnbare beweging der zon ontleend; het tellen van den tijd, zonder in onnaauwkeurigheid te vervallen, met de standen van de zon aan den hemel in overeenstemming gebragt, en een hulpmiddel verkregen om den tijd, met alle wenschelijke juistheid, door de standen van de zon te bepalen. Men kent de standen, die de middelbare en de ware zon, op een bepaald oogenblik, met betrekking tot het voorjaarsnachteveningspunt innemen, en daardoor wordt men in staat gesteld de zonne-tijden tot sterretijd, en omgekeerd, over te brengen. Naar mate de uurwerken volkomener zijn, kunnen zij met eene hoogere juistheid den middelbaren of den sterretijd aanwijzen, en aan de sterrewachten zijn beide wijzen om den tijd te tellen in gebruik. Vroeger liet men de openbare uurwerken den waren zonnetijd aanwijzen, omdat die door de zon zelve onmiddellijk gegeven wordt; maar men moest dan ook het uurwerk, al was het in zich zelf volkomen, gestadig verzetten, om het met den onregelmatigen gang van de zon in overeenstemming te houden, en in de sterrewachten, waar zoo veel op het juiste uitmeten van den tijd aankomt, is dat volstrekt niet toe te laten. Voor eenige jaren heeft men, bij ons en elders, de gewoonte ingevoerd om ook de openbare uurwerken den middelbaren tijd te laten aanwijzen. Ten gevolge daar-