Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/512

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 102 —

Op de schubvorming zijn zelfs stelselmatige verdeelingen gebouwd, door agassiz, vogt en anderen, zoo als hunne kamschubbigen, rondschubbigen, hoekschubbigen, kleinschubbigen, enz. getuigen.

Aan de zijde van den visch bevindt zich, in den regel, tusschen de schubben-rijen, eene min of meer duidelijke streep, bij eenigen doorloopende, bij de meesten niet dan door spikkels aangeduid, en alzoo afgebroken. Daar ter plaatse schijnt eene ruimte te zijn, ter doorlating van het onder de schubben afgescheiden visch-slijm; wel bekend, ook uit hoofde van deu eigenaardigen visch-reuk. Een ander afscheidings-voortbrengsel der huid is de soms zoo schitterende kleurstof, door welke de visschen kunnen getooid zijn, en welke ook den metaalglans aan hunne oogen (den regenboog) verleent. Het zijn echter niet alleen de haar dragende opperhuidscellen waardoor zij schitteren, maar veeltijds wordt deze uitwerking ook te weeg gebragt door den invloed van het licht op vette of olieachtige stoffen, soms van een waar kristallijn voorkomen, op de huid aanwezig. Ehrenberg vond daarin dan ook werkelijk eigene kristalletjes, von wittich meer of minder gekleurde vet-cellen. Zilver- of goudglans waant men daardoor bij velen te zien. Bij anderen is het blaauw en geel, rood en zwart, die met elkaar afwisselen; somtijds afgebroken door het helderste melkwit, vaak geschakeerd door bonte en zonderlinge strepen en vlekvormen. Bij die kleuren voegt zich nog het zoogenaamde phosphorisch lichten van sommigen, of wil men liever, van de kleine afgietsel-diertjes en plantjes (Sarcina noctiluca, heller) die parasitisch op hen leven, of in hunnen omtrek voorkomen. Overdragtelijk geeft men zelfs daarvan op, dat enkele groote of schijfvormige visschen, die deze eigenschap vertoonen, zich des avonds aan de oppervlakte der zee kunnen voordoen, als scheen de zon of de maan in het water (zonnevisch, maanvisch). Evenzoo verschaffen troepen van vliegende visschen, onder welke er gevonden worden, die vrij sterk phosphoresceren, den wachthoudenden schepeling, dikwijls des nachts een prachtig en vreemdsoortig gezigt. Scholen van lichtende zeebrasems kunnen, zelfs in het water, zóó sterk een licht verspreiden, dat men in het schijnsel daarvan des nachts zou kunnen lezen. Naardien