Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/519

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 109 —

(Amblyopsis spelaeus, Muraena coeca L., Myxine glutinosa, enz.). Amblyopsis
amblyopsis spelaeus.
Schijnen, zeg ik, want de ontleedkunde heeft aangewezen, dat men bij hen meer of minder belangrijke sporen van dit orgaan ontmoet, doch tusschen de spieren, nu eens diep, dan weder even onder de huid. Men meent, dat zij nog dag en nacht kunnen onderscheiden. Zijn deze stiefmoederlijk bedeeld, een andere visch zou er zijn, die twee oogen te veel schijnt te hebben, namelijk de "vieroogige" Anableps. Ook dit is echter niet meer dan schijn, te weeg gebragt, doordien de pupil-opening, in ieder oog, in tweeën verdeeld is door eene donkere streep, welke midden over het hoornvlies loopt. Over de inwendige structuur van het visschenoog en over hun gezigtsvermogen, moet ik kort zijn. In het algemeen hebben zij een weinig gewelfd hoornvlies, doch daarentegen eene bijzonder bolle kristallens welke den oogbol veel meer opvult, en welker beide halfronden, volgens metingen van soemmering, veel digter bij het hoorn- en het netvlies gelegen zijn, dan bij den mensch. Sommigen zijn van gevoelen, dat zij hierdoor, vooral bij de geringe lichtsterkte op groote diepten, alleen in hunne nabijheid goed, doch op geringen afstand reeds, slecht zouden zien; met andere woorden, dat de visschen aan bijziendheid lijden. Dit punt is zonder nadere onderzoekingen omtrent het accommodatievermogen der visschen, niet wel uit te maken, doch zonder twijfel is de gezigtssterkte bij alle vischsoorten niet even groot, terwijl daarin bovendien door de meerdere of mindere doorschijnendheid van het water (zee- of rivierwater) wijziging van buiten wordt aangebragt. Voor eenige visschen intusschen is het, zelfs zonder ontleed- en natuurkundige kennis, voor bewijs vatbaar, dat zij op een' betrekkelijk grooten afstand, kleine voorwerpen kunnen onderscheiden, zelfs buiten het water, alzoo ook in eene middelstof van andere breekbaarheid. Daartoe behoef ik, onder anderen, slechts op de zoogenaamde spuitvisschen te wijzen, die hunne prooi in de lucht, op overhangende boomtakken, zoeken en treffen. Doch op hen kom ik later terug. Dit komt mij wel voor, dat de natuur-