Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/575

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 165 —

hoog, terwijl men beweert, dat hunne kans van treften bijzonder groot is. Althans de Chinezen, ook die op Java, houden ze daarom soms in visch-glazen en vermaken zich, met hun, op stokken boven het glas, vliegen of mieren voor te houden en alzoo te zien vangen.

Op deze en andere uitzonderingen na, zijn de visschen domme dieren. Hunne hersenen bereiken, in vergelijking met den groei van het ligchaam, eene zeer geringe ontwikkeling. De schedel-holte is reeds op zich zelve niet ruim, en daarenboven is zij niet eens geheel met hersen-massa gevuld, doch voor een groot deel met los bindingsweefsel, tusschen welks mazen eene vette of olie-achtige vloeistof is bevat. Wanneer men bij den mensch het gemiddelde gewigt der hersenen stelt op 140 van het ligchaams-gewigt, zoo heeft men dit bij de visschen berekend op 11000, soms zelfs niet meer dan op 12000.

Staat het hersen-leven bij de visschen op eenen lagen trap, en is daardoor zeer weinig gezorgd voor het voortbestaan en de veiligheid der individuen, zeer hoog daarentegen staat bij hen de instaudhouding hunner soort. Hunne vermenigvuldiging geschiedt in den regel door kuit, bestaande uit eijeren, die, na met het hom-vocht te zijn bedeeld, ter gelegener tijd en plaats, door een' geringen warmtegraad worden uitgebroeid. Ik behoef naauwelijks te herhalen, dat het getal der visch-eijeren bij vele visschen buitengemeen groot is, en dat men dit bepalen kan door weging, na vooraf een klein gedeelte te hebben gewogen en geteld. Hierbij merk ik evenwel op, dat men hoogst belangrijke verschillen vindt in de cijfers daarvan, zoodat aan dezelfde vischsoort door den eenen 10,000 stuks eitjes worden toegeschreven, waar een ander van 100,000 spreekt. Volgens de jongste en beste opgaven, die van valenciennes en frémij, blijkt echter stellig, dat het getal-verschil bij de onderscheidene vischgeslachten bijzonder groot is. Bij den baars vonden zij ruim 70,000, bij een' karper 700,000, bij een tarbot van 5 palmen lengte reeds 9,000,000, bij een kabeljaauw van 1 el nog meer, tot 11,000,000 eijeren. Het grootste aantal eijeren vonden zij bij eene Mugil-soort, slechts van 6 palmen lengte, en wel 13,000,000. Een nog grooter getal werd door harmer in de Philosophical Transactions opgegeven van den zalm, te weten van 30,000,000 eijeren!