Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/609

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 199 —

betoogd, waartoe men niets noodig heeft te kennen dan de be- trekking tusschen de hoeken van inval en van uitgang bij lucht en water.

Gij ziet dus, waarde lezers, dat overal waar de dampkring, water en de stralen der zon bestaan , de vereischten gevonden wor- den tot het ontstaan van den regenboog.

Behalve de hoofdregenboog, hebben wij reeds medegedeeld, wordt soms waargenomen een nevenregenboog , waarbij de kleuren in omgekeerde orde zich aan ons vertoonen. De stralen worden hier tweemalen teruggekaatst in den waterdroppel, terwijl de straal die door het oog wordt opgevangen en die welke vóór de bre- king van de zon komt, zich kruisen. De breedte van dezen neven- regenboog is 2° 20', terwijl hij 8° van den hoofdregenboog af- staat, De wiskunde toont ook hier wederom dat dit zoo moet plaats hebben.

Blijkbaar is uit al het medegedeelde , dat de regendruppels en niet de wolken den regenboog vormen, zoodat ook dikwijls de onderste deelen van den boog de voorwerpen op aarde schijnen te bedekken; staat de waarnemer zeer hoog , dan kan de regenboog soms eenen geheelen cirkel vormen.

Dat de door de maan teruggekaatste stralen eenen regenboog kun- nen vormen , bewijst hetgeen wij als vereischten voor het ontstaan hebben opgegeven. Zulke maanregenbogen zijn dan ook reeds door aristoteles gekend en niet zelden opgemerkt geworden. Het licht zwakker zijnde, zijn ook de kleuren onduidelijker; alhoewel zij soms zeer goed te onderscheiden zijn en men de waarnemingen van eenige zeer heldere vindt opgeteekend.

Het is u waarschijnlijk bekend, geachte lezer, dat de dauw ont- staat door waterdamp , welke door verkoeling van den gasvorm in dien van blaasjes verandert , daarom vesiculaire damp genaamd , en dat hierbij dikwijls zeer kleine druppels ontstaan. In die blaasjes en dauwdroppels kunnen, wanneer de zon boven den gezigteinder staat, regenbogen gevormd worden ; eveneens in de druppels , die op de oppervlakte der zeegolven en bij watervallen opspatten. De Fran- schen noemen deze arc-en-terre en arc-en-mer , waarvan wel ieder