Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/625

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 215 —

daarbij tevens voor den aandaclitigen onderzoeker nieuwe wonderen aan den dag gebragt.

Houdt men eenen gevoeligen thermometer in de verschillende kleuren van dit zonnebeeld , dan zal voor elke kleur niet dezelfde warmtegraad worden aangewezen, maar de thermometer zal in de roode kleur eenen hoogeren stand aannemen, dan in de gele, en vervolgens, naar de violette kleur overgebragt , blijven dalen. Brengt men daarentegen den thermometer een weinig boven het rood, dan zal hij rijzen. Wijst b. v. de thermometer 13,3° Celsius (56° Fahr.) in de violette kleur, en 16°,6 Cs. (62° Pahr.) in de gele kleur aan, dan zal hij tot 26° Cs. (79° Tahr.) boven het rood stijgen. Het prisma heeft dus op het verwarmend vermogen van den straal anders dan op het lichtgevende gewerkt, want de stralen, welke de meeste warmte geven, zijn van de meest lichtgevende gescheiden. Als men verder in dit zelfde kleurenbeeld een papiertje houdt met chloorzilver bestreken, zal het een weinig onder het violet spoediger zwart worden, dan in eene der andere kleuren, ja zelfs in het geel niet of zeer weinig verkleuren.

Het prisma heeft dus drie verschillende eigenschappen van het licht leeren kennen. Want in de gele kleur, welke de grootste licht- kracht bezit, wordt niet te gelijk het grootste verwarmende ver- mogen gevonden, maar veel hooger op en nog boven het rood; terwijl het vermogen om stofielijke veranderingen bij de ligchamen te weeg te brengen , d. i. op hunne scheikundige zamenstelling in te -werken, bij de meest donkere kleur, het violet, en daaronder wordt aangetroflen. Het schijnt dus alsof een lichtstraal uit drie verschillende deelen is zamengesteld : eigenlijke lichtstralen , warmtestralen en scheikundige stralen. In de wetenschap is men ge- woon ze gemakshalve met deze namen te onderscheiden, ofschoon op zeer goede gronden kan worden aangenomen , dat er in het eigen- lijke wezen dezer stralen geen verschil bestaat, maar alles toteene meer of mindere golflengte of trillingsduur kan teruggebragt worden. (Zie pag. 241 van den vorigen jaargang.) Dit nader te behandelen ligt niet in mijne bedoeling. Genoeg zij het aan te merken, dat deze verschillende werkzaamheid der stralen na gebroken, d.i. door