Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/655

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 245 —

wegen , en ten tweede de over het algemeen geringe helling van de banen der planeten op de ecliptica of op het vlak der baan van on%e aarde rondom de zon. Deze hellingen bedragen bij de acht groote planeten :

Mercurius   7° O' 6"
Venus 3° 28' 29"
Aarde 0° O' O"
Mars 1° 51' 51"
Jupiter 1° 18' 52"
Saturnus 2° 29' 30"
Uranus 0° 46' 28"
Neptunus 1° 47'

Voegen wij nu hierbij dat de helling van den aequator der zon 7° 30' is, dan blijkt dadelijk, dat de genoemde planeten, op hare verschillende standplaatsen in de banen die zij rondom de zon be- schrijven, zich of in of weinige graden boven of onder het vlak bevinden , dat door den aequator der zon gaat. Het was vooral deze bijzonderheid, welke laplace aanleiding gaf, om de vorming der planeten te verklaren door de scheiding van de oorspronkelijke nevelmassa in een stelsel van ringen, die zich om een gezamenlijk middelpunt bewogen.

De banen der kleine planeten tusschen Jupiter en Mars hebben meerendeels grootere hellingen. Zij is het geringst, 3°47', bij Hy- giea, het grootst, 34°47', bij Pallas. Die der overige blijft echter beneden 17°, en van verreweg de meeste stijgt zij niet boven 8°. Indien wij nu overwegen, dat ook hier alle hellingen van 0° tot 90° denkbaar zijn , zonder dat de beweging nog in eene terugloopende overgaat, dan mogen wij ook, in weerwil der grootere afwijking, toch in de zoo talrijke kleine planeten de bevestiging zien van den regel , dat de planeten zich bij voorkeur in de nabijheid van het vlak des zon-aequators bewegen.

Verplaatsen wij ons voor een oogenblik met onze gedachte op eene andere ster, en stellen wij ons voor gewapend te zijn met zulke uitnemende gezigtswerktuigen , dat wij de zon met de daar om heen draaijende planeten zien konden, dan zouden wij, indien ons oog