Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/657

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 247 —

de waarnemingen van lassell) niet minder dan 151° zouden bedragen.

Het is vooral de geheel afwijkende rigting van de baan der Ura- nuswachters , waarop zich de bestrijders der gashypothese beroepen hebben , als zoude deze daarmede geheel onvereenigbaar zijn. Deze tegenwerping komt mij echter voor allen grond te missen , zoolang men de rigting van den aequator van Uranus niet kent. Als alge- meene uitkomst der beschouwing van ons geheele planetenstelsel, voor zoover de daartoe noodige gegevens bestaan, mogen wij aan- nemen: dat in den regel de hemelligchamen, die om een ander hemelligchaam draaijen , banen beschrijven welke nagenoeg in het omwentelingsvlak des aequators van dit laatste gelegen zijn, en het eenige, dat zich volgens eene gezonde analogie uit de aanzienlijke helling van de banen der Uranus- en Neptunuswachters met waar- schijnlijkheid laat besluiten , is : dat de ons tot hiertoe onbekende aequators dier beide planeten dan ook eene dergelijke groote helling hebben, een besluit trouwens, dat ten aanzien van Uranus, door vele sterrekundigen dan ook reeds voorlang daaruit getrokken is.

Dat er overigens ook hier min of meer belangrijke afwijkingen van den regel bestaan, gelijk wij zagen bij eenige der kleine pla- neten , bij onze eigene maan en bij eenen der Saturnuswachters , kan niemand verwonderen, die bedenkt, welk eenen onmetelijken weg door het heelal ons zonnestelsel sedert zijne eerste vorming heeft afgelegd, en aan hoevele storingen het daarbij kan, ja moet zijn blootgesteld geweest, storingen, waarvan wij de hoegrootheid zelfs niet gissen kunnen , maar die belangrijk genoeg kunnen geweest zijn om rekenschap te geven van de betrekkelijk geringe en weinige ver- anderingen in de waarschijnlijke oorspronkelijke rigtingen der banen.

Reeds zagen wij , dat aan de physische gesteldheid van de zon en van de planeten , met name aan hare toenemende digtheid van bui- ten naar binnen, een gewigtig bewijs voor de gegrondheid der gas- hypothese kan ontleend worden. Die physische gesteldheid levert echter nog andere niet minder gewigtige bewijzen op.

Men mag thans met eene aan zekerheid grenzende waarschijn- lijkheid aannemen , dat alle planeten en manen eenmaal in eenen gloeijend gesmolten toestand verkeerd hebben. Hare bolvormige