Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/658

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 248 —

gedaante, de afplatting aan hare polen, pleiten reeds hiervoor. Het landschap dat de maan ons vertoont , waar het oog schier niets ontmoet dan kraters van uitgebrande vulkanen, verkondigt eenen thans uitgedoofden vuurhaard. En wat onzen aardbol betreft, zooiee- ren de op talrijke plaatsen gedane waarnemingen aangaande de toeneming der warmte, naarmate men dieper in den bodem dringt, dat op weinige uren afstands onder onze voeten nog gloeihitte heerscht, terwijl eene groote reeks van verschijnselen , welke tot het gebied der geologie behooren, ons dwingt tot de erkentenis, dat er eenmaal een tijd is geweest, waarop onze aarde als een gloeijende bol hare baan aflegde, en dat door allengsche bekoeling de betrekkelijk dunne schors is ontstaan, waarop wij thans leven en ons bewegen.

Het was buffon, die het eerst waagde eene verklaring van dien oorspronkelijk gloeijendeu toestand te geven , door aan te nemen , dat onze aarde een brokstukje van de zon is , daarvan afgestoten door den schok eener komeet. Bij onze tegenwoordige kennis van den aard der kometen zal wel niemand meer aan de mogelijkheid van zoo iets gelooven. Daarentegen geeft de gashypothese niet alleen volkomen rekenschap van die gloedwarmte, maar deze is zelfs een noodwendige schakel in de reeks van veranderingen, welke het gas- mengsel ondergaan moest, alvorens daaruit de aarde met de overige planeten en manen in haren tegenwoordigen staat konden te voor- schijn treden.

Bij de groote ijlheid van het gas in zijnen oorspronkelijken toe- stand en den grooten onderlingen afstand der deeltjes, nadat de verdigting tot vloeibare droppeltjes of blaasjes , dat is de nevelvor- ming, reeds was aangevangen, is het, wel is waar, onwaarschijnlijk dat van den beginne af daarin belangrijke scheikundige werkingen plaats grepen en dat deze de oorzaak der warmteontwikkeling wa- ren. Maar zij behoeven ook geenszins daartoe te worden ingeroepen, daar reeds de werktuigelij ke kracht, die tot de verdigting alleen en op zich zelve noodzakelijk vereischt werd, meer dan voldoende is om die warmteontwikkeling te verklaren. Door de in de laatstverloo- peu jaren in het werk gestelde onderzoekingen van maijer, joule, thomson en anderen, is het gebleken, dat, even als warmte werk-