Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/659

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 249 —

tuigelijke kracht kan voortbrengen, zoo ook werkt uigelijke kracht warmte kan doen geboren worden. En dit niet alleen, maar het is zelfs gelukt de hoeveelheid warmte te bepalen , die door eene zekere vooraf bekende werktuigelijke kracht noodwendig moet worden voort- gebragt, wanneer het daardoor bewogen wordend ligchaam, b.v. door een stoot tegen een ander ligchaam , tot stilstand komt , of in snelheid van beweging verliest.

Het zij voldoende hier het algemeene beginsel uit te spreken , zonder ons te begeven in eene uiteenzetting der gronden, waarop de theorie dezer omzetting of wisselwerking der krachten verder berust. Nu is het duidelijk, dat er in den gas- en lateren nevelbol een aanzienlijke voorraad van werktuigelijke kracht voorhanden was, onder den vorm van aantrekkingskracht, en dat er bij elke ver- eenigiiig der deeltjes, die de verdigting vergezelde, eene zekere hoe- veelheid warmte inoest geboren worden. De geheele hoeveelheid der warmte, welke op die wijze moest voortgebragt worden, alvorens door de verdigting het zonnestelsel in zijnen tegenwoordigen toestand ge- komen is, laat zich uit bekende gegevens berekenen, en werkelijk is zulk eene berekening uitgevoerd door helmholtz (zie zijne ver- handeling: Ueber die Wechselwirkung der Naturkräfte, etc. 1854 p. 28), die daarbij tot uitkomst heeft verkregen: dat, indien ons geheele zonnestelsel ontstaan is door verdigting uit een gas, dat een' bol vulde, waarvan de afstand van Neptunus tot de zon de straal is, de daarbij ontwikkelde warmte voldoende is geweest om eene watermassa , welke gelijk is aan de massa van de zon en van de planeten te zamen genomen, tot eene warmte van 28 millioenen graden des honderddeeligen thermometers te verheü'en. Wanneer de massa van ons geheele zonnestelsel uit zuivere kool bestond, en deze verbrand werd , dan zoude daardoor slechts het 3500ste gedeelte van die warmtehoeveelheid worden voortgebragt. Bedenkt men nu, dat de grootste warmte, welke wij door kunstmiddelen kunnen voort- brengen, weinig meer dan 2000° bedraagt, en dat bij die warmte bijna alle zelfstandigheden, die bestanddeelen der aardschors zijn, in gloeijend gesmolten staat verkeeren en zeer vele zich vervlug- tigen, zoo ziet men ligtelijk in, dat de enkel door verdigting ge-