Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/798

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
 

EEN BLAADJE UIT MIJN JOURNAAL.

DOOR

Mr. W.B. BERGSMA.

 

 

's Morgens om 5 ure stoomden wij de golf van Napels binnen. Altijd is die aanblik indrukwekkend, maar thans was aller aandacht uitsluitend gerigt op den koning dezer overschoone landstreek. Deze verhulde zich echter in dikke rookwolken; maar, stelde ons dit voor het oogenblik te leur, later berouwde het ons niet, eerst langzamerhand, en als het ware van kleiner tot grooter te zijn toegelaten tot de aanschouwing zijner verschrikkelijke majesteit.

In Napels zelf was natuurlijk slechts één onderwerp van gesprek, en daardoor vernamen wij ongelukkig niet tijdig genoeg, dat het de laatste dag was, dat het bloed vloeide van den H. januarius, den beschermheilige van Napels, die op de hoogte, welke de stad van de vlakte rondom den Vesuvius scheidt, met opgeheven arm den lavastroom afweert.

Tegen het vallen van den avond reden wij deze hoogte af, en gingen vlak achter Portici tot eene plaats, genaamd San Diorio. Wij stegen uit, gingen eenige straatjes door langs huizen en villa's, een paar hoeken om,—daar nadert de dikke, zwarte, hier slechts 5 tot 7 voet hooge lavamassa, langzaam en statig zich ontrollende, en met gloeijende lippen alles wat haar in den weg staat opslurpende. Rondom haar vormt de schare een' eerbiedigen kring, naar mate zij voortgaat wijkende. Ook de Koning is daar en het Hof, met ontblooten hoofde. Een monnik treedt prevelende voorwaarts en legt een gekleurd afbeeldsel van maria eenige voeten voor den stroom, — alles bidt mede,—als de lava het punt, waar het prentje ligt, zal bereiken, neemt de monnik het even te voren weer op en laat het door de omstanders kussen.