Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/166

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE GLETSCHERS,

DOOR

P. VAN DER BURG.

 

 

I.

 

Men vindt onder de verschillende natuurverschijnselen, die onafgebroken op de aardoppervlakte, of in hare onmiddellijke nabijheid elkander afwisselen, er zeker geene, die meer ongezocht in het oog vallen, bij eene niet bloot oppervlakkige waarneming meer aantrekkelijks bezitten, meer in het bedrijvige leven ingrijpen, meer uit verschillende oogpunten kunnen worden beschouwd, dan die, welke voortgebragt worden door de warmte. Staat men, gedurende het geregeld onderzoek naar de veranderingen, die haar vermogen schept, in het bijzonder stil bij de na sporing der wijze, waarop zij over den aardbol is verspreid, dan treden door haren invloed tooneelen voor ons op, die men inderdaad poëtisch zou mogen noemen, die ons gemoed gevoelig aangrijpen en eene volheid en harmonie ten toon spreiden, waardoor de mensch tot aanbidding wordt gestemd.

Ik wenschte in de volgende regelen een dier tooneelen voor des lezers oog te doen oprijzen, en met hem de voorraadschuren binnen te treden, waaraan het aanzienlijkst gedeelte der rivieren en stroomen zijn voortdurend aanwezen heeft te danken, en waaruit zij de grondstof ontleenen, om zoo overvloedig vruchtbaarheid en leven van zich te doen uitgaan. Ik heb mij namelijk voorgesteld, eene beknopte beschrijving van de gletschers te geven, en vlei mij, dat deze verhevene natuurgewrochten, wier bestaan sedert onheugelijke tijden, te midden eener sluimerende natuur als voor eeuwig voort-