Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/427

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd
5
DER SPINNEN.

De ontwikkeling der meeste zintuigen schijnt bij de spinnen op eenen zeer lagen trap te staan. Of zij van eigene reukorganen voorzien zijn, wordt zeer sterk betwijfeld. Dat er bij haar slechts een spoor van smaakorgaan bestaat, is mede bekend. Bij mijne Tegenariae zag ik echter duidelijk uitdrukking van voorkeur voor verschillende insekten. Het gezigtsvermogen,—ofschoon door het getal, de plaatsing, en bij sommigen door de bewegelijkheid der oogen, in vele rigtingen mogelijk,—schijnt in den regel beperkt te zijn tot voorwerpen in hare onmiddellijke nabijheid. Bij een matig licht, of in het zoogenoemde duister, schijnen ze beter te zien, even als vele andere nacht-roofdieren, dan in het sterke licht. Ik vond dan ook bij mijne spinnen, dat zij 's nachts het meest werkzaam waren. Hare eijernesten of cocons werden alle in den nacht, of althans wanneer het donker was, vervaardigd. Het zonlicht ontvlieden de meeste spinnen. Voor sterk kaars-licht of lamp-licht vond ik ze nogtans niet altijd gevoelig. Dat hare oogen in het donker lichten, zoo als het kattenoog, wordt van vele spinsoorten beweerd, met name van die welke met groote of vooruitstekende oogen zijn voorzien; bij onze inlandsche heb ik dit niet opgemerkt. Het zintuig dat wel het sterkste is uitgedrukt bij de spin, is het gevoel. Allen, die, met mij, dikwijls en opmerkzaam de levenswijze der spinnen hebben bespied, maken gewag van haar uitnemend fijn gevoel, waardoor ze bijv. zelfs de geringste bewegingen in hare nabijheid, of vooral aan hare web- of netdraden, gemakkelijk ontwaren. Onophoudelijk zijn zij bij al hare werkzaamheden bezig met tasten, niet alleen of niet zoo zeer met hare palpen of voelers, maar inzonderheid met het eerste paar pooten. Bijzonder duidelijk neemt men deze tast- bewegingen bij meerdere soorten van kruisspinnen waar, als ook bij de Zilla's. Dat in dezen, ook bij het spinnen zelf, een onbegrijpelijk hooge graad van den gevoelszin moet bestaan, is buiten allen twijfel. Wanneer men leest, dat de spinnen insgelijks een zeer scherp gehoor bezitten, zoo mag dit minder onvoorwaardelijk worden aangenomen. Een afzonderlijk orgaan althans voor het "hooren" is bij deze dieren nog niet ontdekt; hoogst waarschijnlijk moet veel van hetgeen men bij hen aan 't gehoor heeft toegeschreven, worden verklaard uit de