Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/513

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
91
EEN VULKANISCH VISCHJE.

humboldt stelt, dat er in het binnenste van den berg ontzaggelijk groote meeren aanwezig zijn moeten, die door onderaardsche rivieren met het water op de oppervlakte der aarde in betrekking staan. Dit laat zich denken en blijkt ook uit het feit, dat er soms op eens, uit spleten en gaten, water te voorschijn komt. Maar eene andere vraag is het: hoe komt dat water uit de kraters? Mag men gelooven dat die waterkommen even hoog gelegen zijn van binnen, als de openingen van buiten? Immers neen, hoe zouden zij daar bestaan blijven, grenzende aan rotswanden die door vulkanisch vuur gevormd zijn en soms tot gloeihitte verhit worden? Zij zullen dus veel lager gelegen moeten zijn, en het schijnt uit den niet misvormden toestand der mede opgeworpen wordende visschen te blijken, dat er eene andere oorzaak dan de dadelijke werking van het onderaardsche vuur aanwezig is, waardoor èn water èn klei èn visschen naar boven en buiten gevoerd worden. Om eene op redenering, niet op bewijzen, welke men geenszins verkrijgen kan, gebouwde verklaring te geven, kan men slechts stellen, dat die meeren als 't ware op een gewelf rusten; dat die holte met lucht of gas gevuld is, en deze nu, door de eene of andere werking van het vuur in te groote hoeveelheid voor de ruimte van het gewelf opgehoopt wordende, eenen uitweg zoekt, het bovengelegene water opheft en zoo uit den krater werpt; of wel, de tegenovergestelde uitwerking van het vuur, namelijk het verdunnen dier beslotene lucht, heeft dezelfde gevolgen, dat is, opheffing van het gewelf, met alles wat er boven op gelegen is: slijk, water, visschen. En dat wij dit aannemen mogen, dat er in die geheimzinnige holen groote plaatsveranderingen geschieden, zonder merkbare verplaatsingen der warmte, schijnt bewezen te worden door het feit, dat er uitbarstingen plaats hebben zonder aardbevingen; en ook hieruit, dat er, tijdens de Imbaburu uitdoofde, echter toch bij voortduring uit de nevenkraters visschen werden opgeworpen en dat, toen op den 19 Junij 1698 de krater van den Cargneiraro inzakte, men massa's slijk en visschen in zijne holten verzameld vond. Het kan dus zijn, dat die uitwerpingen plaats hebben uit andere holten als uit die waaruit het vuur ontspringt, en dit moet wel zoo zijn, omdat