Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/586

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
162
DE MONDEN DER RIVIEREN.

onze kust in den loop der geschiedenis is ondergegaan. De kerk van Scheveningen, vroeger midden in het dorp gelegen, grenst thans aan zee; het dorp Westvoorne in Brielsland ging onder, en Oostvoorne grenst thans aan de duinen; vele andere voorbeelden zouden wij hiervoor kunnen aanvoeren, zoodat er geen twijfel kan overblijven, of de ruimte van onze delta is in den loop der eeuwen merkelijk afgenomen. De binnenzee of lagune werd na het ontstaan van den oeverwal regelmatig met aanslibbingen opgevuld. Terwijl eerst eene zandlaag, misschien laag no. 5 van den Amsterdamschen bodem, zich met eene geringe naar het land gerigte helling gevormd had, en aan hare grens tot een oeverwal was opgehoogd, zoo werd later de afgeslotene, met stilstaand brak water gevulde lagune door mergel- en kleilagen ondieper gemaakt, en het rivierwater nam in de ondiepten zoodanig de overhand boven het zeewater, dat eene ontwikkeling van boomen en waterplanten mogelijk werd. Zoo ontstond een weelderige plantengroei, welks overblijfselen wij in onze veengronden terug vinden.

Maar reeds in veel ouder tijden, vóórdat eenige plant op de plaats van ons vaderland kon groeijen, ontwikkelde zich het organische leven op onzen bodem in de diepten der zee. Het zijn de diatomeën, mikroskopische wezens, wier kiezelschaaltjes wij in den Amsterdamschen bodem niet alleen in andere lagen verspreid, maar zelfs in eene afzonderlijke laag van twee ellen dikte (no. X) opeengehoopt aantreffen, eene bank, die zich naar alle waarschijnlijkheid eenige uren ver rondom uitstrekt. Genoemde laag bestaat, volgens den hoogleeraar harting, voor een derde tot de helft uit deze schaaltjes, en wanneer wij nagaan, dat er ongeveer 613.000.000 daarvan in een Ned. pond der diatomeeënklei voorkomen, zoo kunnen wij ons een denkbeeld maken van het aantal dezer kleine wezens, welke in die oude tijden onzen vaderlandschen zeebodem bewoonden. Dertig tot veertig trillioenen liggen op de oppervlakte van eene enkele vierkante geogr. mijl begraven. De geestige esquiros schrijft van Amsterdam, dat, hoe levendig het op de oppervlakte van den bodem ook moge toegaan, dit alles wegzinkt bij het woelen en werken der mikroskopische organische wezens in de diepte; hij zoude geen ongelijk