Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/614

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
188
EENIGE BIJZONDERHEDEN

natuur toch op eene zeer schoone wijze voorzien in de bescherming en beveiliging der schubben zelve, namelijk door er eene slijmige vloeistof over heen te spreiden, die hen als 't ware vernist. Dit slijm wordt afgescheiden door kleine kliertjes, welke vooral in grooten getale aan den kop, en bijzonder rondom de neusgaten worden aangetroffen. Die slijm nu wordt door de voortgaande beweging van den visch in het water over het ligchaam uitgespreid, en dan vooral als de visschen stroomopwaarts zwemmen, wat zij om die reden bij voorkeur doen. In geval nu de visch te lang is, zoo als b.v. de aal, of als de kliertjes aan den kop niet genoeg opleveren, zoo als bij den baars, dan heeft de natuur in die behoefte voorzien door langs de zijdelijke lijn van den buik en den staart dergelijke kliertjes te plaatsen, en de schubben, welke de openingen dier kliertjes bedekken, met eenen tubus of koker te doorboren, uit welken het slijm kan ontlast worden. Sommige visschen, die door hunne levenswijze aan een groot verlies van slijm zijn blootgesteld, zoo als de cobitis fossilis, welke in het slijk kruipt, hebben eene zoo ruime afscheiding van dat slijm, dat in twee dagen het water van eene goudvischkom, waarin men hem in het leven houden kan, als in eene geleiachtige massa veranderd wordt en het dus noodig is hem minstens tweemaal in de week te verschoonen.

Wij hebben reeds gezegd, dat de baars niet tegen de vorst kan, en daarom in den winter naar diepere waters verhuist. Daardoor vindt men hem dan ook, volgens jurine, in groote menigte in den winter in het diepe meer van Genève; doch hoe veilig hij dan is voor de vorst, daar wordt hij aan een gevaar van eenen anderen aard blootgesteld; men ziet hem daar namelijk niet zelden boven drijven met uit den bek hangende maag en slokdarm. Om dit te verklaren, bedenke men dat de baars eene zeer groote zwemblaas heeft, welke volkomen gesloten is, en niet, zoo als bij vele andere visschen, met den slokdarm, de maag of de darmen door middel van eene buis (ductus pneumaticus) in gemeenschap staat. In die diepe wateren nu (somtijds 40 à 50 ellen) is de zwemblaas onderworpen aan eene drukking, gelijkstaande met die van elf atmospheren, en in geval nu die drukking eensklaps grootelijks ver-