Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/839

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
311
SEPTMONCEL.

zij werk geven aan tal van huisgezinnen en vertier aan tal van kooplieden, als dewijl zij overal en onder alle omstandigheden tot de meest gezochte artikelen van weelde behooren en in het maatschappelijke leven kapitalen vertegenwoordigen, die minder dan eenig ander voorwerp in evenredigheid tot hunnen omvang staan. Constant polari verborg voor duizenden schats in den hollen stok eener parapluie!

 

 

Aan de westzijde van het Jura-gebergte, dat Frankrijk van Zwitserland scheidt, ligt het tot eerstgenoemd rijk behoorend departement, dat naar dien bergschakel genoemd wordt en Lons le Saulnier, eene vrij middelmatige stad, tot hoofdplaats heeft. Als men van daar den voet rigt naar het gebergte, wandelt men eerst tusschen wijngaarden, die eenen voortreffelijken wijn opleveren, welke den eigenlijken Bourgogner zeer nabij komt. Hooger op vindt men uitgebreide walnootbosschen, die eene zeer goede olie opleveren, en uitgestrekte weiden, in welke rundvee graast, uit welks melk de Vachelin-kaas wordt vervaardigd, die de vermaarde Zwitsersche Schabzieger evenaart. Nog hooger in het gebergte betreedt men het gebied der naaldboomen. Talrijke houthakkers vinden hun bestaan in de pijnbosschen, waar de slagen der bijl weerklinken langs de glooijingen van den Jura. Hoe hooger men stijgt, des te schraler worden de weiden, des te schaarscher de graanakkers; maar ook te schaarscher de inwoners en de blijken van maatschappelijk leven. Slechts hier en daar ziet men op een der van het gebergte afstroomende beken een watermolen, die eenen houtzaagtoestel in beweging brengt; slechts hier en daar trekt een os het eenvoudige wagenstel voort, dat een vracht hout naar beneden brengt.

Eenvoudig van zeden is het volk, dat die bergstreek bewoont. Zij onderscheiden zich allereerst door die gehechtheid aan hunnen geboortegrond, van welke een dubbel erfdeel den bergbewoners schijnt aangeboren. Eentoonig als het geruisch des winds in de dennebosschen, is hunne levenswijze, ongekrenkt het op aartsvaderlijke wijs geëerbiedigde