Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/840

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
312
SEPTMONCEL.

ouderlijk gezag, noodzakelijk ook, waar de zonen met hunne vrouwen en kinderen niet zelden blijven huisvesten in de ouderlijke woning. De grond brengt niet meer voort dan tot eigenlijk onderhoud van het leven in den naauweren zin noodig is: haver en gerst, welker meel vermengd eene soort van onsmakelijk en zwaar brood oplevert, onverteerbaar voor magen, die er niet van der jeugd af aan gewoon zijn geworden, doch waarbij de bevolking, zeer opmerkelijk, tot in hoogen ouderdom het gebit ongeschonden en zuiver behoudt. Dat zoogenoemde brood maakt met aardappelen en melk het voornaamste voedsel in het gebergte uit, behoudens dat de laatste vrij schraal valt, want eerst wordt er kaas van gemaakt, welke beneden tegen die benoodigdheden wordt ingeruild, welke de bergstreek zelve niet oplevert. De eenvoudige hutten, groot genoeg voor gansche familiën, zijn van hout vervaardigd en hebben planken vloeren. Dit geeft er wel een voorkomen van zindelijkheid aan, die men anders in de stulpen der Fransche plattelandsbewoners niet zoeken moet; maar het bevordert ook veelvuldige branden, die, worden slechts lijf en have gered, weinig deren, daar het hout in overvloed voorhanden en spoedig eene nieuwe woning gebouwd is.

In dit weinig herbergzame oord ligt het dorp Septmoncel. Of het zijnen naam heeft als bestaande uit zeven (Sept) hoopjes (monceaux) hutten, kan ik niet zeggen; maar wel, dat de vroegere berigten van bezoekers juist geen uitlokkend tafereel schilderen van den weg om er te komen. Tegenwoordig is dat echter beter, daar van het stadje Sainte Claude, waar de moeijelijkste opstijging begint, tot aan Septmoncel een gemakkelijke, zelfs berijdbare weg is gemaakt langs de kanten der rotsen, waarbij men echter eenen zoo grooten omweg heeft moeten nemen, dat de afstand tusschen Sainte Claude en Septmoncel het vijfvoudige wordt van hetgeen hij hemelsbreedte bedraagt. Onderweg tusschen de beide plaatsen heeft men in het voorbijgaan het gezigt op den fraaisten van de menigvuldige watervallen in het Jura-gebergte; deze waterval is omtrent 15 Ned. el hoog; het water stort zich met donderend geraas naar beneden en vloeit na den val tusschen oude boomen door een welig grastapijt.

Wanneer men het dorp Septmoncel heeft bereikt, is men bevreesd