Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/99

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
73
IETS OVER HET BILLARD.

en eerst bij meerdere optilling ook het plankje aan het glijden gaan. De hoogte, waartoe men de oppervlakte moet optillen, zal minder zijn naarmate deze gladder is. De oorzaak van deze verschijnselen is nu niets anders dan de straks verklaarde tegenstand, en deze heet wrijving.

Passen wij dit op ons billard toe, dan ziet men, dat b.v. bij eene tafel van zuiver geslepen glas, die tegenstand niet zoo groot zoude wezen, als nu die tafels met fijn laken zijn bekleed: daardoor wordt de beweging der ballen veel sterker belemmerd. Dit is echter geene fout: integendeel, eerst op die wijze kan men de dikwerf verrassende bewegingen verkrijgen, die een geoefend speler aan zijnen bal weet mede te deelen, en waarvan wij nu in de volgende behandeling de verklaring zullen vinden.

Wrijving is, zoo als is opgemerkt, in het algemeen de tegenstand, die bij de beweging van eenig ligchaam over een ander wordt voortgebragt. Is de beweging niet alleen eene voortgaande, maar ook eene draaijende, zoo is de wrijving van tweederlei aard: vooreerst die, welke door de schuring van het voortgaande, voortschuivende ligchaam ontstaat, de slepende wrijving: ten andere die, welke door het rollen, het ronddraaijen ontstaat, de rollende wrijving. Bij het billard komt deze laatste niet in aanmerking, wel de eerste; en voorloopig kan reeds worden opgemerkt, dat zij niet gering is: dit volgt toch reeds daaruit, dat een bal met weinig snelheid deze al zeer spoedig verliest, alleen ten gevolge natuurlijk van die wrijving. Wordt nu een bal voortbewogen, dan zal de uitwerking van de wrijving wezen, om de vooruitgaande beweging van het onderste punt, dat wij het steunpunt van den bal zullen noemen, te verhinderen. Bestond de bal enkel uit losse stofdeelen, dan zouden de hooger gelegen stofdeelen blijven voortgaan, en het stofdeel in het steunpunt telkens blijven liggen: dit is echter niet zóó, de stof van den bal wordt door de cohaesie te zamen gehouden; de hooger gelegen deelen trachten desniettemin vooruittegaan, terwijl het steunpunt oogenblikkelijk wordt opgehouden; en ziedaar, de bal begint zich te wentelen. De invloed van de wrijving is dus, eene ronddraaijende beweging aan den bal te geven. Maar alle punten van den bal bewegen zich daarbij niet even snel. Alleen het steunpunt is tijdelijk in rust, en van daar langs de middellijn opklim-