Pagina:Album der Natuur 1860.djvu/256

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
230
ALCHEMIE.

groot van naam en gezag, wier karakter boven alle verdenking verheven was, waren aanhangers en beoefenaars der alchemie, en er waren daaronder, die verklaarden, mondeling en schriftelijk, dat zij die transmutatiën hadden bijgewoond en met eigen oogen hadden waargenomen. Er werden alchemisten genoemd, die, vroeger arm, plotseling rijk waren geworden, en die hun rijkdom bewezen hadden door talrijke vrome stichtingen of zelfs door den geldelijken onderstand, die vorsten van hen genoten zouden hebben. Men wees op munten en medailles, geslagen uit alchemistisch verkregen goud en zilver, en bij eenige waarvan de stempel dien oorsprong vermeldde. Zoo b. v. de rozenobels, waarvoor raymundus lullus in de 13de eeuw het goud gemaakt had, zoo de Deensche dukaten van 1647, wier goud door caspar harbach geleverd was, de beide medailles in 1648 en 1650 op last van keizer ferdinand iii vervaardigd uit goud, in zijne tegenwoordigheid door spagirische kunst voortgebragt, de Hessische speciedaalders van 1717, enz.

Ziedaar in korte trekken de gronden opgegeven, waarop het geloof aan de transmutatie der metalen berustte. Laat ons thans zien, op welke wijze de alchemisten die transmutatie trachtten te bewerkstelligen.

Willen wij daarvan een denkbeeld verkrijgen, dan moeten wij ons wenden tot hunne geschriften. Deze zijn echter bijna zonder uitzondering geschreven in eene zoo duistere en raadselachtige taal, dat het uiterst moeijelijk en, zonder behulp van de teregtwijzingen van zeer enkelen, die zich op eene meer duidelijke wijze uitdrukken, onmogelijk zijn zou er een gezonden zin uit te halen. Het is met opzet, dat de alchemisten hunne geschriften in zulk een geheimzinnig duister hebben gehuld, en de redenen daarvoor waren de volgende. In de eerste plaats stelden zij vrij algemeen, dat de onverbloemde mededeeling van het geheim der alchemie zonde was, — een denkbeeld, dat vooral bij die alchemisten gold, die eene mystieke rigting volgden, gelijk er niet weinigen waren. De adepten der kunst mogten, volgens hen, hun geheim alleen aan de zoodanigen mededeelen, van wie zij wisten, dat zij naar den steen der wijzen streefden niet om er het middel in te vinden ter voldoening aan hunne begeerlijkheden, maar alleen uit liefde