Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/127

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
113
DE KRUISING VAN MANWIJVEN.

die der Vereenigde Staten uit dit oogpunt beschouwden, bevestigen mijne opmerking. Aan den anderen kant, Dr. hooker heeft mij voor eenigen tijd gemeld dat die regel in Nieuw Holland niet doorgaat; ook heb ik deze weinige opmerkingen over de sexen der boomen slechts gemaakt met het oogmerk om de aandacht op dit onderwerp te vestigen.

Laat ons nu zien hoe het bij de dieren is. Op het land leven eenige manwijven, zooals slakken en regenwormen, maar allen paren zich. Tot heden heb ik nog geen enkel geval van een het drooge bewonend dier, dat zich zelf bevrucht, aangetroffen. Wij kunnen dit merkwaardige feit, hetwelk zulk eene groote tegenstelling is van de boomen die op het drooge groeijen, verklaren, als wij het oog slaan op de middenstof waarin de bewoners van het drooge leven, en op den aard van het bevruchtende element. Immers wij weten niets van middelen, gelijk aan het bezoek van insekten en aan de werking van den wind bij de planten, waardoor bij de dieren die het drooge bewonen nu en dan eene kruising kan geschieden, zonder het zamenkomen van twee individuen. Onder de waterdieren zijn vele zich zelven bevruchtende manwijven, doch hier zijn de stroomen in het water een klaarblijkelijk middel ter kruising. En, gelijk bij de bloemen, zoo ook hier, is het mij tot heden nog niet gelukt—en wel na eerst over dit punt met een der grootste natuurkundigen, Prof. huxley, geraadpleegd te hebben—een enkel voorbeeld te ontdekken van een dier met twee sexen, hetwelk zijne voorttelingswerktuigen zoo volkomen in zijn ligchaam besloten heeft, dat eene toenadering van buiten af en dus de invloed van een ander individu voor onmogelijk gehouden moet worden. De rankpootigen, Cirripeden, schenen mij, uit dit oogpunt beschouwd, langen tijd zeer raadselachtig, maar door een gelukkig toeval, hetwelk ik elders zal vermelden, ben ik in staat gesteld om te bewijzen dat twee individuen, ofschoon beiden zich zelven bevruchtende manwijven zijn, desniettemin nu en dan paren.