Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/144

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
130
OVER DE NATUURKEUS.

onze herkaauwers en onze knaagdieren gebrekkig vertegenwoordigen, wel met goeden uitslag de mededinging tegen die goed uitgedrukte orden zouden kunnen volhouden. In de dieren van Nieuw Holland zien wij de uiteenspreiding der kenmerken, de afwijkingen in de ligchaamsinrigting, op haren eersten en onvolkomen trap van ontwikkeling.

Na al het voorgaande is het, dunkt mij, duidelijk dat de gewijzigde afstammelingen van eene soort des te beter bestaande zullen kunnen blijven, hoe meer zij in ligchaamsbouw van elkander afwijken en onderling verschillen; en dat zij daardoor in staat zullen geraken om zich op zulke plaatsen te vestigen, die reeds door andere wezens ingenomen waren. Laat ons nu zien hoe de uiteenspreiding der kenmerken, vereenigd met de natuurkeus en de uitsterving, werkzaam is ten voordeele van de uitverkorenen.

De bijgevoegde teekening moge den lezer behulpzaam zijn om dit vrij ingewikkelde onderwerp te begrijpen. De letters A tot L stellen de soorten voor van een groot geslacht, in het gewest waarin het te huis behoort. Die soorten vooronderstellen wij dat in ongelijke mate onderling op elkander gelijken, zooals in het algemeen het geval in de natuur is, en hetwelk op de teekening voorgesteld wordt door dat de letters op ongelijke afstanden van elkander staan. Ik heb gezegd een groot geslacht, wijl wij in het tweede hoofdstuk gezien hebben dat gemiddeld de soorten van groote geslachten meer veranderen dan die van kleine geslachten, en dat de veranderende soorten van de grootere geslachten een grooter getal van rassen bezitten. Ook hebben wij gezien dat de soorten die het talrijkst en het verst verspreid zijn, meer veranderen dan zeldzame soorten met een beperkt gebied. Stellen wij dat A is eene heerschende, dat is eene talrijke, ver verspreide en veranderlijke soort, behoorende tot een groot geslacht. De kleine, waaijervormig uiteenloopende, gestippelde lijnen van eene ongelijke lengte, welke uit A voortkomen, stellen de veranderde afstam-